Afrikaanse economieën draaien op informele sector en lockdowns zijn dodelijk

Lementère vertrok vorige week met zijn kudde naar de bergen. “Het is droog op de savanne en de koeien moeten eten. Je kunt een nomade niet vertellen thuis te blijven”. Zijn laatdunkende lachje blaast door de telefoon. Alle Kenianen mogen vanwege corona ’s avonds niet naar buiten. “Nou, en?”, wimpelt Lementère het overheidsgebod af. “Wij nomaden van Noord Kenia hebben onze eigen God en wetten. Die storen zich niet aan corona”.

Vlak onder de oppervlakte van Afrika’s zwakke natiestaten liggen oude culturen en economische structuren. Vele Afrikanen groeiden op met een eigen set aan waarden en gewoontes, gebruiken die voorkeur genieten boven wat de wet voorschrijft. “We leefden altijd in de marge. Onze kracht is onderlinge solidariteit en vertrouwen. En zelfredzaamheid. We hangen niet af van de overheid”, zegt Lementère.

Miljoenen Afrikanen onttrekken zich dagelijks aan het overheidsgezag en de officiële economie. Ruim tweederde van de economische activiteit speelt zich af in de informele sector, waar de lonen laag en onregelmatig zijn en de mensen arm. Kenianen noemen zich graag een natie van ritselaars(A nation of hustlers), met weinig controle van de regering over haar onderdanen en burgers die voor zichzelf zorgen. De regering verstrekt burgers  met geboorte- en overlijdenscertificaten maar zorgt niet voor ze.

Het informele economische model werd overgeplant van het dorpsniveau naar de corporate sector in de steden toen het continent de afgelopen halve eeuw sterk urbaniseerde. Schamele gemeentes explodeerden in korte tijd tot megasteden. Bij gebrek aan een evenredige industrialisering vielen miljoenen werkzoekenden er terug op de informele economie en gingen wonen in, wat de Wereldbank ‘minder bevoorrechte’ buurten noemt, getto’s dus. Die sloppen vertonen nog een beetje de sociale solidariteit van het platteland, maar veel rek zit er niet in, zeker nu corona zijn tol vergt.

Eric Ondiek is de autowasjongen van een kantoorbuurt in de wijk Westlands van Nairobi. Hij bouwde zijn carrière in de informele sector door keihard werken, soms tot diep in de nacht. Bij een groet geeft hij het antwoord dat iedere informele werker typeert: “Ik sjacher wat” ( I am hustling). Eerst werkte hij als supervisor in het autowasbedrijfje voor de kantoorlui, nu is hij de eigenaar. “Ik was geslaagd”, zegt hij met een zuur gezicht, “maar nu is het voorbij”. Vóór het virus wasten op een parkeerterrein achter de nu gesloten kantoren zijn tien werknemers wel 35 auto’s per dag, nu nog geen tien. Ook wippen taxi’s niet meer langs voor een wasbeurt. “Ik betaal mijn werknemers per opdracht en ze verdienen nu zo weinig dat ze van hun inkomen nog niet hun transport kunnen betalen. Ik doek mijn zaakje op. Ik heb vier kleine kinderen te voeden en kan me Nairobi niet meer permitteren”.

In het kantorenblok sloot een middelgroot internationaal financieel bedrijf zijn deuren vanwege corona. Dat beroofde niet alleen de zeventig werknemers in Nairobi van hun werk: het hele socio-economische model van de wijk ligt op zijn gat. Want indirect verschafte het bedrijf werk aan tientallen anderen in de informele sector. De groentevrouw die kool aan de voedselkiosk verkoopt waar de boekhouders lunchen, de student die zijn collegegeld verdient door telefoonkaarten te slijten, de chauffeur van de brommertaxi, de agent, de bewaker, de bedelaar, de zakkenroller, de schoenpoetser, de prediker.

Joseph Mutua verzorgde de toevoer van kantoorproducten. De office boy. Iedere dag wachtte hij met zijn brommer voor het kantoorgebouw op werk. En knikte beleefd naar de goedgeklede passerende boekhouders. Hadden ze hem nodig dan sprong hij op zijn brommer en wrong zich door de ronkende files. Om officiële documenten te bezorgen maar ook als iemand in een van de kantoren hem vroeg even bij de kruidenier langs te wippen. “Dan ontving ik een forse fooi”. Het ging hem zo voor de wind dat hij op het punt stond zijn op krediet gekochte brommer af te betalen. “Opeens was alles voorbij. Ik dacht een toekomst te hebben, ik zou mijn kinderen in ons dorp naar een goede school sturen en ik spaarde om mijn vrouw te laten bijstuderen. Alles in een klap verloren. Nairobi is om geld te verdienen, niet om uit te geven. Ik vertrek”.

Sommige dingen veranderen nooit, ook niet in coronatijd. “Een inkomen heb ik nauwelijks meer”, vertelt Mary Anyango die een voedselkiosk runt naast het parkeerterrein. “Geen enkele klandizie. En toch blijven de hyena’s van de gemeente en de politie komen om mij geld af te persen. Ze zeggen dat ook zij moeten eten in deze moeilijke tijden. Ik smeek ze maar ze lachen me uit. Als ik niet betaal dreigen ze mij 14 dagen in quarantaine te zetten”.

Mary Anyango is een “lunch lady”. In haar eenvoudige voedselkiosk serveerde ze in normale tijden patat, worstjes en thee met oliebol aan de werknemers in de belendende kantoren. Ook kon je er een pak melk of frisdrank kopen. “Het is nu akelig stil in de buurt”, zegt ze. “Ik ben zo gespannen want hoe moet ik nu verder. Ik ben een alleenstaande moeder en heb kinderen te voeden”.

Deze week sluit ze haar shop. “Ik verkoop bijna niets meer. En als er al een klant komt, kan hij zich nog niet een frisdrank veroorloven. Dat geldt tegenwoordig als een luxe. Ikzelf verdien niet meer genoeg voor mijn dagelijkse transport. Ik kan me zelfs geen melk meer voor mijn jongste kind veroorloven. Mijn huisbaas dreigt me uit mijn woning te gooien als ik eind deze maand de achterstallige huur niet betaal. Dan heb ik geen shop meer en geen huis”.

Ze wil weg uit Nairobi. “Ik wil terug naar mijn familie in het dorp, daar hoef ik geen huur te betalen en is het voedsel goedkoop. Ik weet het, ik mag Nairobi niet uit van de regering. Maar wat doet de regering voor mij? Corona is een ziekte van rijkelui uit Europa. Zij ontspannen zich nu in hun grote huizen. Ik moet straks stiekem uit Nairobi zien te glippen. Ik hoop dat er een corrupte politieagent is die me zal doorlaten”.

 

 

Schrijf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *