Tanzania: Asfalt door de Serengeti.

Een eindeloze lijn schermt de horizon af van het grootste wildpark ter wereld. Gnoes bij hun migratie door Serengeti. Ze ruiken regen. Maar hoe werkt dat dan in hun grote neuzen? “Daar willen we nader onderzoek naar doen”. De Britse wetenschapper Andrew Dobson fluistert om de regenruikers niet te verstoren. “Serengeti is het best bestudeerde ecosysteem ter wereld. Alleen alle insecten hebben we nog niet in kaart gebracht. Ik zou graag meer willen weten over de mestkever”.

Tienduizenden gnoes trekken over de goudgekleurde savannes. “En om die weg, daar gaat het nu om”. Dobson wijst naar een bruin pad dat volgens de Tanzaniaanse regering een autoweg moet worden. Als die weg er komt zal de jaarlijkse migratie van 1,3 miljoen gnoes van het zuiden van Serengeti naar het wildpark Maasai Mara in Kenia tot stilstand komen, waarschuwde hij vorige maand in Nature (16 september). Het einde van de gnoemigratie verandert de ecologie grondig, waarna het paradijs voor onderzoekers ten dode is opgeschreven, voorspellen Dobson en 26 andere wetenschappers in het gezaghebbende tijdschrift.

De clowns van de Afrikaanse savanne heten ze. De regenruikers ogen een beetje dom, ze zijn nerveus en springerig, typisch kuddedieren. Ieder achter een ander. Met hun enigszins vreemde tred door de kortere achterpoten zijn de gnoes toch in staat om lange afstanden af te leggen en hoge wanden van de rivieren te beklimmen die ze bij hun migratie oversteken. Hun overlevingskracht ligt in hun kwantiteit. Een kwart van de dieren komt om bij de trek.

FILMPLOEGEN

Dobson rijdt verder in zijn terreinwagen en loert naar luierende leeuwen bij een bebloed buffelkarkas. “Er leven hier vier- tot zesduizend leeuwen, meer dan waar ook ter wereld. Alle soorten van duizend jaar geleden zijn er nog. Dat maakt het Tanzaniaanse wildpark uniek, daarom mag Serengeti nooit verdwijnen.” Dobson werkte in vele natuurgebieden ter wereld, maar zijn meest opwindende onderzoek deed hij in Serengeti. Er werken onderzoekers voor leeuwen, voor hyena’s, voor apen, voor vogels, voor aarde, naast de filmploegen voor populaire dierendocumentaires.

“Hoe meer ik leeuwen bestudeer, hoe meer ik hyena’s waardeer”, vervolgt Dobson. “Leeuwen zijn geen goede jagers, ze rennen in het wilde weg op een prooi af. Nee, geef mij maar hyena’s, die jagen met een strategie, ze bekijken eerst de situatie”. Waarna hij een verhaal begint over de penissen van vrouwenhyena’s. En over een leeuwin die gewillig paart met het mannetje dat zojuist haar kroost heeft gedood.

OERWILDERNIS

De naam Serengeti is onverbrekelijk verbonden met de Duitse zoöloog Bernhard Grzimek van de dierentuin in Frankfurt en diens zoon Michael. Serengeti shall not die, heette hun in de jaren zestig uitgekomen boek en film dat het wildpark wereldberoemd maakte. Serengeti shall now die, alarmeren vijftig jaar later de koppen in Tanzaniaanse kranten. Volgens Grzimek moest Serengeti “een oerwildernis” blijven, beschermd tegen mensen.

Gerald Bigurube was tot drie jaar geleden hoofd van de Tanzaniaanse wildparken (Tanapa) en werkt nu met Dobson voor de door Grzimek opgerichte Frankfurt Zoological Society in Serengeti. “Wilde beesten en mensen gaan niet samen. Dat was en is de gedachte achter Serengeti. De snelweg leidt tot de vernietiging van het park. Nog steeds moeten de beesten voorrang krijgen”. Maar de filosofie van de Duitse dierentuindirecteur is nooit aangeslagen bij de Tanzanianen. Bigurube: “Talloze onderzoeken wijzen uit dat de mensen rond het park niet delen in de baten van het park en niet bereid zijn het te verdedigen.”

Boven de vlakte bouwen wolken uitzinnige constructies. “Het ongetemde paradijs”, jubelen de folders voor de 140.000 toeristen per jaar. Dobson ontwaart een kudde olifanten, geleid door een vrouw. “Hoe ouder, hoe beter de seks”, gniffelt de 55 jaar oude onderzoeker. Bevalt een oudere olifantman bij het paren dan brengen de vrouwen dat aan elkaar over en de volgende dag verdringen ze zich bij deze grijsaard.

Dobson is een epidemioloog voor dierziekten en hoogleraar evolutionaire biologie aan de Amerikaanse Princeton Universiteit. Hij noemt de grootste ziekten van onze tijd distemper (‘hondenziekte’, die ook roofdieren treft), mazelen en runderpest.

Vooral runderpest was een grote killer. Toen het runderpestvirus in 1889 in Afrika kwam, als gevolg van de import van dieren uit India, verspreidde de ziekte zich binnen zeven jaar over het hele continent en roeide daarbij 80 tot 90 procent van al het vee uit, evenals de buffels, giraffen en de gnoes. (Juist deze week maakte de FAO bekend dat runderpest als ziekte vrijwel volledig is uitgeroeid.)

De runderpestepidemie van 120 jaar geleden decimeerde de gnoepopulatie van Serengeti tot ongeveer tweehonderdduizend exemplaren. “Uit studies blijkt dat in die periode van uitgedunde gnoepopulatie het gebied een bron was voor kooldioxide in de atmosfeer”, zegt Dobson op basis van onderzoek naar de ondergrond van het wildpark. “Nadat de epidemie was uitgewoed en er weer meer dan één miljoen gnoes waren, blijkt Serengeti juist kooldioxide te absorberen.”

Dit jaar begonnen Dobson en de andere wetenschappers met hun actie tegen de weg en ze overwogen eerst om het louter over de boeg van de ethiek te gooien. Maar het eendimensionale argument van goed en slecht, van de keuze voor de mensen of voor de dieren, klonk al snel ouderwets, alsof sinds Grzimek de wereld had stilgestaan. Ze besloten voor een meer moderne aanpak en benadrukten de absorptie van het broeikasgas kooldioxide in Serengeti. Het lot van het park werd gekoppeld aan klimaatverandering in de wereld.

URINE

“Veel meer dan tot nu toe aangenomen absorberen niet alleen wouden maar ook savannes kooldioxide”, betoogt Dobson. Het overvloedige gras op de vulkanische grond van Serengeti voedt talloze beesten, zoals de gnoes en de 200.000 zebra’s die met hen meetrekken. Zij bepalen de weelde en de diversiteit van alle andere diersoorten. Iedere dag produceren ze vijfhonderd vrachtwagens vol mest en 125 tankvrachtwagens met urine, waardoor grote hoeveelheden voedingsstoffen in het ecologische systeem circuleren. Hun grasconsumptie vermindert de kans op savannebranden veroorzaakt door bliksem en mensen. Daardoor groeien de bomen beter. Serengeti kan dus te zijner tijd geld opleveren bij de emissiehandel in kooldioxide. “Serengeti absorbeert de kooldioxide van alle vliegtuigen van en naar Oost-Afrika”, propageert Dobson.

Op een regenachtige dag drieëneenhalf miljoen jaar geleden liepen drie wezens over een vlakte van Serengeti. Een vulkaan had over het landschap een dunne laag as gelegd, die door de regen blubber was geworden. De voetafdrukken van de kaarsrechte, aapachtige wezens werden vastgelegd en vervolgens vereeuwigd door een nieuwe laag as. In een klein museum gaan de toeristen op in de archaïsche sfeer van de afdrukken van onze voorvaderen. Opnieuw wekt Serengeti bij toerist en wetenschapper oergevoelens op, het verlangen naar “de maagdelijke wildernis”.

Onder de bewoners rond Serengeti leven andere sentimenten. Francis Shomet Olenaingisa is Maasai en werd in 1956 geboren in Serengeti. Hij studeerde theologie en filosofie in Tanzania en deed ontwikkelingsstudies in Ierland. Bij hem raakt de romantiek van de toeristenfolders over „de onberoerde bush waar God genereus en creatief is” geen gevoelige snaar. Hij is boos op de wezens met roze huid als kikkerbillen die van ver reizen om de wilde dieren te beschermen. “Zijn wij dan geen wezens? Waarom zijn de Maasai consequent sinds het begin van het wildpark genegeerd door de blanke lobbyisten? Steeds opnieuw raakten we weidegronden kwijt aan de blanke natuurbeschermers. Ik ben voorstander van de weg door Serengeti. Dit keer nemen wij voorrang”.

Maasai zijn geen stropers, ze ‘hakken niet in het hoofd van God’ (ze doen niet aan landbouw) en ze geven aan beesten en bomen evenveel rechten als aan mensen. Olifanten zoeken bescherming bij de kralen van Maasai. Tenminste, zo was het vroeger. “Dat verandert snel, onze jongeren geven steeds minder om wilde dieren”, vertelt Olenaingisa, “en dat komt doordat de milieubeschermers ons vanaf het prille begin tot vijanden maakten.”

GRONDSTOFFEN

In 1930 reisde majoor Richard Hingston van de Britse Society for Preservation of Flora and Fauna of the Empire naar Tanganyika om een beleid voor wildreservaten op te stellen. Louter Europese belangen speelden een rol: Serengeti mocht een park worden omdat er geen grondstoffen waren gevonden. “De belangen van flora en fauna komen eerst, die van mensen en hun bezittingen later”, verklaarde een van de eerste Britse wildwachters. De Maasai bestreden het landjepik door de blanken, vielen neushoorns en ambtenaren aan en staken gras in brand.

De blanke blik op Afrika, de oertuinfilosofie van Grzimek, kreeg een toepassing in Serengeti en andere wildparken op het continent: de nomadische Maasai moesten in 1959 opdonderen. De onafhankelijke Afrikaanse regeringen kopieerden het koloniale beleid, daarin aangemoedigd door lobbygroepen van blanken met ruime financiële middelen. De wildparken bleven een Europese creatie en nu nemen vooral buitenlandse lobbyisten het op voor de dieren. Van de 27 ondertekenaars van het stuk in Nature zijn er maar drie Tanzaniaan.

De roep om economische ontwikkeling van een snel groeiende bevolking vormt een ernstig gevaar voor het park. Het gedachtegoed van Grzimek is aan vernieuwing toe. Het conflict over de weg legt daarom het fundamentele probleem bloot of er nog toekomst is voor wildparken in Afrika.

Tanzania is nu een van de armste landen van Afrika: 95 procent van de bevolking leeft van minder dan twee dollar per dag. Het onderontwikkelde noorden heeft nauwelijks begaanbare wegen. De geplande asfaltweg zal het noordelijke Maasaigebied openleggen net als het vruchtbare maar geïsoleerde West-Tanzania, dat veel landbouw en visserij heeft. Verder krijgt Tanzania’s achterland Rwanda, Burundi en Oost-Congo met deze weg een uitweg naar de zee. Dit zal een strategisch belangrijke route geworden na het verkiezingsgeweld twee jaar geleden in Kenia. Wekenlang werd toen de weg van Mombasa naar Centraal-Afrika geblokkeerd waarna de economische activiteit in delen van het Midden-Afrikaanse achterland kwamen stil te liggen. De behoefte aan een alternatieve route neemt toe en ook de bevolking daar is voorstander van de weg door Serengeti. Tijdens de campagnes voor de Tanzaniaanse verkiezingen later deze maand betoogde parlementskandidaat Edward Lowassa: “Het is verbazend dat sommigen het behoud van wilde dieren prefereren boven ontwikkeling van mensen”.

Nu loopt er al sinds de oprichting van Serengeti een oude weg door het park die wordt gebruikt door een lijnbus en een beperkt aantal vrachtwagens. Het is een slechte weg. “Na iedere reis moeten we onze vrachtwagens repareren”, klaagt transporteur Willy Mvaty. Aan de muur in het kantoortje van zijn bedrijf Millenium Wings in het snel groeiende Arusha hangen de tarieven: de transportkosten van Arusha naar Musomo zijn drie keer hoger dan die voor een gelijke afstand elders in Tanzania. “Ik ben vóór de weg. Laten we ophouden met de romantiek over wilde beesten. Tanzania is nu een onafhankelijke natie en we moeten aan onze toekomst bouwen”.

TERUGTOCHT

Wilde dieren zijn nu overal in Afrika alarmerend op de terugtocht. Uit een recent onderzoek van het International Livestock Research Institute blijkt dat in het aangrenzende Maasai Mara in Kenia tussen 1989 en 2003 giraffe, hartebeest, impala, wrattenzwijn, topi en waterbok met tussen de 65 en 95 procent zijn afgenomen. “We steken onze kop in het zand”, zegt de Maasai Olenaingisa. “Het roer moet om. Zonder betrokkenheid van de plaatselijke bewoners bij natuurbescherming is Serengeti ten dode opgeschreven.”

De wildebeesten van de Serengeti

 

Kader

De landmeters zijn al begonnen

Serengeti komt van het Maasai woord Siringet, voor eindeloze vlaktes. Het gebied zo groot als Nederland kreeg in 1929 de status van wildreservaat, in 1951 werd het een wildpark en in 1959 kreeg het zijn huidige grenzen.

Twintig jaar geleden werd voor het eerst het plan geopperd om een weg van oost naar west door Serengeti aan te leggen. Vijf jaar geleden en ook nu weer rond de presidents- en parlementsverkiezingen eind deze maand belooft de Tanzaniaanse president Jakaya Kikwete de weg snel te bouwen. De landmeters zijn al met hun werk begonnen. De weg, die volgens regiobestuurder Isidori Shirima 480 miljoen dollar gaat kosten, zal lopen van rond Mto-wa-Mbujunction naar het gebied Engaruka-Engaresero aan de oevers van Lake Natron, van Loliondo naar Kleins Corner en vervolgens naar Musoma. De Wereldbank veroordeelt in een rapport de aanleg uit milieuoverwegingen. Westerse ambassades in de hoofdstad Dar es Salaam overwegen sancties (dertig tot veertig procent van Tanzania’s begroting wordt bekostigd door donorlanden).

Diplomaten en milieubeschermers willen een alternatieve route ten zuiden van het park. Kikwete herhaalde eerder deze maand echter dat de noordelijke asfaltweg er komt, zijn enige concessie is dat de vijftig kilometer door het park uit grind zal bestaan. “Is iets niet logisch, dan heeft het met politiek te maken”, verklaart de Britse wetenschapper Andrew Dobson Kikwetes keuze voor de noordelijke route. Een westerse diplomaat: “Kikwete stelde de noordelijke route voor om geld van donoren te krijgen voor de zuidelijke route”.

Wie betaalt? In de regeringsbegroting van volgend jaar is geen geld voor de weg uitgetrokken en Westerse donoren willen niet betalen voor het omstreden project. “Als de weg er toch komt, kan alleen China een dergelijk controversieel project aanpakken”, speculeert een Westerse diplomaat. De Chinese ambassade in Dar es Salaam weigert commentaar.

Toerisme draagt 17 procent bij aan het Bruto Nationaal Product van Tanzania en ruim een half miljoen Tanzanianen hebben werk in de toeristensector. “De strijd voor wildparken zal steeds meer gaan over wat ze opleveren”, zegt Dobson. “We zien over geheel Afrika een constant verval van de parken. Maar niet in Serengeti. Daarom is de strijd tegen de weg en voor het behoud van dit park symbolisch belangrijk voor heel Afrika.”

Schrijf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *