De tirannie van de aantallen. Maar wat is eigenlijk een stam in het moderniserende Kenia?

De aan de hooglanden klevende wolken bij het stadje Murang’a, ten noordoosten van de hoofdstad Nairobi, ontnemen het zicht op de heilige bergen.

In het begin, toen de mensheid de aarde begon te bevolken, riep God mannen van rondtrekkende stammen bij zich op de Mount Kenya, zijn woonplaats. Hij verkoos één van hen, een Kikuyu, om diens gehoorzaamheid en gaf hem al het vruchtbare land beneden, met de ravijnen, de rivieren, de bossen, de wilde dieren en al het andere.

God wees naar een plek vol vijgenbomen, midden in het land, en beval de Kikuyu om zich daar te vestigen. Hij trof er zijn vrouw, Moombi. „Alle Kikuyu hebben hun oorsprong in dit House of Moombi. De Kikuyu is de gezegende stam van Kenia”, vertelt de gids, Kamau Kibe.

‘De tirannie van de aantallen’, zo noemen analisten in Kenia het bij verkiezingen steeds terugkerende stemgedrag op basis van stamafkomst. Etnische groepen zijn constructies voor politieke mobilisatie geworden en de uitslag valt te voorspellen op basis van hun numerieke sterkte. De tribale achterban van de politicus voert met passie de electorale competitie en daarom doemt bij iedere verkiezing de angst voor geweld op. Maar wat is in het moderniserende Afrika eigenlijk een stam?

Kamau heeft voor de rondleiding een muts van schapenwol opgezet. In zijn ene hand rust een ceremoniële stok, in de andere een vliegenmepper. Hij wijst in alle windrichtingen naar heilige bergen van de Kikuyu: Mount Kenya, de Aberdares, het Ngong-gebergte en de Kilimambogo. Ik heb mijn neef Nick Mwaatha en twee andere jonge Kikuyu meegenomen, die driftig aantekeningen maken op hun mobieltjes. „Het is een schande dat wij Kikuyu graag onze cultuur vergeten en die van iemand anders adopteren”, zegt Nick.

Het Huis van Moombi is geen bedevaartsplaats; de meeste Kikuyu zijn er nog nooit geweest. Meer dan de andere 42 stammen van Kenia verruilden de Kikuyu hun tribale gewoontes voor het christendom. Maar enig chauvinisme is ook de Kikuyu niet vreemd en dat komt omdat ze al heel lang de boventoon voeren in de Keniaanse politiek en economie.

Die opmars begon al begin vorige eeuw, toen de huidige hoofdstad Nairobi nog een witte enclave was. Alleen de Kikuyu wilden diensten aan de kolonisten verlenen. Ze werden hun strontdragers en ledigden voor hen de toiletemmers, en daaraan ontleenden ze het recht om bij de erven van de bazen te verblijven.

Door hun accommodatie konden Kikuyu-politici na de onafhankelijkheid, in 1963, soepel in de voetstappen van de vertrekkende kolonisten treden. Kenia’s eerste president, Jomo Kenyatta, gaf voorrang aan zijn Kikuyu en vestigde een bourgeoisie met vooral leden van zijn eigen groep.

Goddelijke voorkeur

Iedere stam eist de goddelijke voorkeur op. De God woonachtig op de Kilimanjaro prefereerde de Masai wegens zijn gehoorzaamheid en liet langs een leren riem uit de hemel honderden stuks vee afdalen, waardoor het herdersvolk eigenaar werd van alle koeien op aarde. „Het is een territoriale verbeelding, al die heilige Kikuyubergen”, foetert een vriend, Lenomboi Lepere van de aan de Masai verbonden Samburu, als het bezoek aan het huis van Moombi ter sprake komt. „Voor onze rituelen bouwen wij huizen waarvan de ingangen uitkijken op de Ng’iro of Mount Kenya, bergen waarin onze God zijn gedaante toont.” Het Ngong-gebergte deed tot anderhalve eeuw geleden dienst als parlement van de Masai; hun ouderen en profeten kwamen er bijeen om te beraadslagen over droogte en epidemieën, of ze riepen er een oorlog uit.

De Masai hecht wel aan zijn oude tradities en net als menig Keniaan verheerlijkt hij zijn tribale taal, zijn eetgewoontes, muziek en verhalenvertellers. Die stamafkomst bepaalt zijn cultuur en daarmee zijn identiteit. In beginsel is er niets fout aan de stamverbondenheid en de rijke cultuur die daarmee gepaard gaat. Het woord ‘stam’ refereert niet aan primitiviteit maar aan trots, het is geen woord om te verfoeien maar een vaandel om achteraan te lopen.

Hoewel het woord ‘stam’ wijdverbreid en zonder schaamte over Keniaanse tongen gaat, is het een wazig begrip. Veel van de 42 ‘stammen’ in Kenia blijken verzinsels, bedacht door de kolonisten. Terwijl zij de steeds schaarser wordende landbouwgrond inpikten, verdreven ze de Afrikanen naar deze zogeheten ‘stamreservaten’. Als onderdeel van hun verdeel-en-heerspolitiek benadrukten de kolonisten een etnische opdeling van de bevolking en ‘stichtten’ stammen. De ‘Kalenjin’-stam bestond vroeger niet als eenheid, maar omvatte diverse tribale groepen. De Britse kolonialen voegden hen samen en introduceerden het concept van zuivere en streng afgebakende stamgebieden, hoewel Afrikanen in werkelijkheid veel gemêleerder leefden. Stammen trouwden onderling en dreven handel met elkaar. Masai gingen bij Kikuyu wonen, Kikuyu bij Kamba en Kalenjin en Luo bij Baluhya.

Ongemakkelijke waarheid

Maar er bestaan wel degelijk scherpe rivaliteit en verschillen in taal en cultuur tussen de stammen. In Ethiopië noemen ze het etnische nationalisme, in Kenia heet het tribalisme, in de politiek correcte wereld spreken ze over etniciteit.

Wat voor naam je het ook geeft, dit stamnationalisme is een „ongemakkelijke waarheid”, zoals de Keniaanse dichter Sitawa Namwalie schreef in haar gedicht ‘Language of tribe’. Want het etnisch nationalisme zaait verdeeldheid en vormt een existentiële bedreiging voor vrijwel iedere Afrikaanse natie.

In intellectuele kringen geldt het vaak als taboe. Pan-Afrikanisten schuiven in hun stoelen, hoesten in hun vuisten of kijken naar hun mobieltjes wanneer het onderwerp ter sprake komt. Met een zweem van zelfingenomen verontwaardiging zeggen ze dat Kenianen geen probleem met elkaar hebben; het zijn politici die haat veroorzaakten. Dat toonde het verkiezingsgeweld in 2007 en 2008 dat ontaardde in stamconflicten. De Keniaanse media besloten toen niet meer de stamafkomst van rellende jongeren te benoemen, maar over „bepaalde etnische groepen” te schrijven. Maar tribale rivaliteit valt niet te elimineren door er niet over te rapporteren.

Vette rode klei plakt aan onze schoenen als de gids van het Huis van Moombi ons door het dichte bos langs een offerplaats en de huizen voert van de negen Kikuyu-dochters, aan wie de negen Kikuyu-clans elk hun naam ontlenen. Hij prijst de clan van mijn vrouw om zijn schoonheid. Mijn neef Nick Maatha hangt nog steeds aan zijn lippen. „Het bedroeft me dat ik niet wist waar ik vandaan kom”, zegt hij. „Het bezoek aan deze heilige plaats maakt me trots een Kikuyu te zijn. Daar is toch niets fout aan?”

Photo’s Nick Maatha

Dit artikel weer eerder gepubliceerd in NRC op 12-8-2022

Schrijf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *