God is de sleutel kwijtgeraakt om regen te maken: Het nomadisme gestrand in Turkana

Turkana

Een donkere wolk vormt zich boven het wrede landschap van zand, stenen, rotsen en doornige struiken. Op de trillende vlaktes zo droog als karton leven de laatste geharde vee nomaden. “De loop van de aderen op de darmen van een geit die we gisteren slachtten tonen dat er nog een paar buien gaan vallen”, wijst het stamhoofd Muchu naar de wolk. Muchu behoort tot de Turkana, het volk dat woont in deze uiterste noordwestelijke hoek van Kenia bij de grens van Zuid Soedan en Ethiopië. Opnieuw is het regenseizoen dit jaar in Kenia mislukt. Droogte stapelt zich op droogte, al jarenlang. In onherbergzame streken strandden de nomaden door deze klimaatsverandering.

In het gehucht Lokamarinyang komt misschien één auto per dag langs, er zijn geen wegen maar sporen. Kinderen met lubberende billetjes bedelen om voedsel of water, ouderen hebben vooruitstekende borstkassen en benen als stokken. “Kijk naar onze monden”, wijst het stamhoofd naar zijn lipring. “Hebben we theegedronken vanochtend? Onze vrouwen en kinderen eten huiden van karkassen”.

Een groep van traag lopende mannen neemt plaats op keien onder een acaciaboom. Ze praten over vroeger. Een vele decennia geleden begonnen crisis heeft haar breekpunt bereikt. Het gaat niet meer om de verwoestende droogte van 1960, die de Turkana’s Namator noemen, “de tijd toen de beenderen van kamelen zich lieten zien”. Of om die van 1980, of van 2011 of die van nu. Door de culminatie van de steeds sneller opvolgende droogteperiodes valt er nauwelijks meer te leven in Turkana. “God is de sleutel kwijtgeraakt om regen te maken”, zegt een man.

De hang naar het groene verleden is terecht. “Er was toen vrede en voedsel, regen en melk. Onze ouders klaagden nooit, zij waren gelukkig”, zegt een ander. Hij wijst naar zijn knokige knieën. “Zo hoog stond het gras toen. De droogteperiodes duren nu veel langer. God laat zich nauwelijks meer zien en we turen naar de horizon in de hoop op een auto met voedselhulp.”

Werner Schulting, hoofd van Unicef in Kenia, inspecteert waterpompen en een karige voedseldistributie. Met een blik op het nabijgelegen Zuid Soedan zegt hij: “De crisis is hier even groot als daar waar oorlog heerst. Meer dan de helft van de Turkana kinderen onder de vijf jaar lijdt aan acute ondervoeding, voor ruim tien procent van hen is dat levensbedreigend”. Het district Turkana is een van de allerarmste en meest gemarginaliseerde gebieden van Kenia. Vijfennegentig procent van de een miljoen Turkana’s leeft onder de armoedegrens, bijna de helft van de kinderen gaat niet naar school.

Het woongebied van de Turkana ging de afgelopen halve eeuw symbool staan voor honger en woestijnvorming. Alleen de kerk deed er wat om de groeiende misère te verlichten. De Spaanse priester Albert Savans werkt er al 25 jaar. “Door de huidige droogte is zestig procent van het vee doodgegaan, bij de droogte in 2011 was dat al de helft”, vertelt hij. “Dit valt niet meer vol te houden. Ik heb de helft van alle Turkana’s zien stranden, ze blijven hangen bij waterputten en proberen wat groentes te verbouwen. Het nomadisme loont niet meer”. Een tijdperk is ten einde gekomen.

De ecologische ramp beperkt zich niet tot de weidegronden. Met het wegkwijnen van de koeien, geiten en soms zelfs kamelen biedt visserij in het Turkanameer een uitkomst. Maar door de aanleg van dammen in Kenia en Ethiopië krimpt dit grootste woestijnmeer ter wereld snel. Sommige hydrologen voorspellen dat de instroom met zeventig procent gaat afnemen. De vondst een paar jaar geleden van olie en water opent nieuwe perspectieven. Maar uit recent onderzoek blijkt dat het gigantische meer onder het Turkana gebied lichtelijk zout water bevat, ondrinkbaar voor mens en dier.

Philip Ebei zegde al na de droogte van 1980 zijn kudde vaarwel en ging naar school. “Sindsdien ken ik geen honger meer”, vertelt hij, “maar die uitweg kunnen vele van mijn stamgenoten niet vinden”. Veeteelt zal voorlopig de voornaamste economische activiteit blijven. “De Turkana moet zijn vee leren verkopen, nu houdt hij het alleen als prestige”. In andere, minder droge nomadengebieden in Kenia, biedt de organisatie van wekelijkse veemarkten een oplossing voor de crisis in het nomadisme. “We moeten geld gaan verdienen, want we vinden pas ons zelfvertrouwen terug als we weer onszelf kunnen voeden.”

Overbevolking van mens en vee is de voornaamste menselijke bijdrage aan de milieuramp. Alle heren onder de acacia hebben drie of vier vrouwen. Misschien moeten de mannen condooms leren gebruiken? Er ontstaat een Babylonische spraakverwarring. Wat is dat, een condoom? De discussie gaat vervolgens weer over de darmen van de gisteren geslachte geit. “Ja, zoiets als het omhulsel van een darm kan je gebruiken bij geslachtsgemeenschap”, beaamt het stamhoofd, “Maar die blijven vaak in de vrouw steken en we hebben hier geen dokters om ze eruit te halen. Bovendien, in deze barre tijden missen we de kracht om te copuleren”.

Het lijkt alsof in dit dystopisch maanlandschap geen plaats is voor de buitenwereld, vooruitgang voelt als een bedreiging. “Zie hoe we hier met ons hoofd in onze handen zitten”, zegt een oude man, “Laten we niet meer praten, woorden helpen niet meer. Het einde is in zicht”. De donkere wolk is naar Ethiopië afgedreven, zonder een drup te laten vallen.

Deze reportage verscheen eerder in NRC Handelsblad, op 25 juni 2017

Foto Turkana in 1976 van Koert Lindijer

Schrijf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *