Niger: Groen zonder hulp

De wind streelt de sliertige bladen van de neemboom. In de koelte van zijn schaduw bereiden de oude heren van Dan Saga een bruiloft voor. Ze willen er een groot feest van maken, met veel voedsel en veel geslachte geiten. Onder een boom iets verder in het dorp stampen vrouwen gierstkorrels in een vijzel fijn. Krachtige kindjes kruisen het pad van een jonge vrouw met een koeienkar vol vers gebakken bouwstenen. En het aan de boom gebonden paard van het dorpshoofd geniet van de voorspoed in zijn volle etensbak.

Eens was het heel anders in Dan Saga. Ruim twintig jaar geleden woei een woestijnwind door dit Nigerese dorp. „We konden niet eens buiten zitten”, vertelt dorpshoofd Moussa Bara, „je kon geen hand voor ogen zien door het stof. Het zand rukte op en we verschansten ons in onze huizen”. De woestijn verslond de fragiele Sahelzone waarin Dan Saga ligt en dorpelingen begonnen weg te trekken. De grote droogtes van de jaren zeventig lagen verankerd in het boerengeheugen. De klimaatverandering, met steeds minder regen en steeds regelmatigere en ernstigere droogtes, zou de Sahel onleefbaar maken. Een permanent crisisgebied, met een bevolking aan de bedelstaf, met buitenlandse hulpverleners als levensredders.

De dorpsbewoners van Dan Saga kwamen in actie. „We deden het zelf, hulpverleners van buiten hebben we niet nodig”. Er klinkt trots in de stem van Moussa Bara. Hij streelt zijn zoontje die op zijn schoot in slaap valt. „We vormden een milieucomité en belegden vergaderingen met alle dorpelingen”. Ze praatten en praatten en praatten. Tot iedereen ervan overtuigd was: er moesten bomen worden geplant en niemand mocht meer kappen. „We waren verenigd door de bedreiging.” De tribale tatoeages trillen op zijn wangen.

Over de rode aarde komt een witte Peugeot aangereden onder een rij felgroene bomen. De verroeste auto heeft geen bumper, geen lampen, geen nummerbord en wielen als X-benen. Niger is het allerarmste land ter wereld. Maar in de achterbak zitten goedgeklede passagiers met boven hun hoofden geoogste gierststengels. De armen van Niger zijn ook de sterken: met toenemend succes bestrijden ze hun noodlot. „De opbloei van bomen heeft het plattelandsleven van Niger spectaculair veranderd”, vertelt bosbouwexpert Mahamane Larwanou aan de Universiteit van de hoofdstad Niamey. „Waarom willen buitenlandse hulpverleners onze overwinning niet zien?”

Eigen houtje

De bomen, daar draait het allemaal om in de Sahel. Of misschien beter: om hoe de bewoners zich rondom die bomen organiseren. Recente satellietfoto’s tonen – tegen wat algemeen werd aangenomen – dat de Sahel op een aantal plaatsen groener wordt. Dit is het gevolg van inspanningen van kleine boeren. Zij gingen op eigen houtje op en naast hun akkers bomen planten en de natuurlijke aanwas beschermen. Uit onderzoek van het Amerikaanse USAID en de Nigerese Universiteit blijkt dat de vergroening veel minder het werk is van overheid en ontwikkelingsorganisaties. Zij hebben grootschalige en kunstmatige aanplant bevorderd. maar dat is moeilijk en duur: van de geschatte 65 miljoen nieuwe boompjes ging het overgrote deel in de eerste twee jaar dood.

De door de bewoners verzorgde en geplante bomen gaven de doorslag. Lange rijen boompjes staan als windbrekers langs de wegen en als verdediging tegen het zand op vele akkers. De geregenereerde bomen maken deel uit van het productiesysteem van de boeren. Zij gebruiken zaadjes van de traditionele gao en baoboab of van de neemboom uit Nigeria. Die leveren schaduw en hun bladeren geven vruchtbaarheid aan de grond. De gao voegt stikstof toe aan de aarde, de neem levert zeep en medicijnen. De erosie wordt gestopt en de takken leveren brandhout, een belangrijke bron van inkomsten in magere jaren.

Het inwoneraantal van Niger is de afgelopen 25 jaar verdubbeld tot 13 miljoen. Niger toont aan dat méér mensen het milieu niet hoeft te schaden. De toegenomen bevolking spant zich intensiever in om het land te beschermen en om bomen te planten. In de regio’s rondom de steden Zinder en Maradi verzorgden de afgelopen twintig jaar boeren 200 miljoen eigen jonge bomen en maakten daardoor vijf miljoen hectare verwaarloosde grond weer vruchtbaar. Dat is ruwweg gelijk aan de oppervlakte van Nederland. In het aangrenzende Noord Nigeria, waar méér regen valt dan in Niger, staan minder bomen. De manier waarop bevolking en overheid omgaan met hun milieu, blijkt belangrijker dan de regenval, die sinds 1960 in de Sahel met een kwart afnam.

Dode grond

Op weg naar het gehucht Kup Kup, een paar honderd kilometer noordwaarts, houdt het rulle zand de auto vast. Mannen luieren in de lome hitte bij een eenzame boom. Op een felgroene mat in het gele zand peuteren ze aan ongedierte tussen hun tenen. Dorpshoofd Mato Granaou vertelt over een verleden dat veel beter was. „Vroeger produceerden we voldoende voedsel voor het hele jaar. Het leven kent nu zoveel risico’s. Je plant maar je weet niet of je zult oogsten. Vroeger had iedereen vee en waren er genoeg weidegronden. Nu lijkt de grond wel dood.”

Bij een grote droogte in 1984 trokken de bewoners weg, naar Nigeria en Libië om daar werk te vinden. „Er bleven slechts drie families achter. En ik natuurlijk, want een dorpshoofd mag nooit vertrekken”. Bij voedseltekorten in 2005 sloeg opnieuw een groot deel van de bevolking op de vlucht en zij die achterbleven raakten afhankelijk van voedselhulp van buitenlanders. De jonge Siraja Kanana schuift een doek voor zijn mond tegen het wervelende stof. „De wanhoop had ons naar de keel gegrepen”, zegt hij.

Kup Kup oogt als een dorp in de woestijn en daarom zijn de bewoners ten strijde getrokken tegen de milieuverandering. De bomen stierven door de droogte. Bomen op hun akkers hadden ze altijd vernietigd en in magere jaren hadden ze vrijwel alle andere bomen gekapt om het hout te verkopen, hun laatste redmiddel. Op een kale vlakte gebaart dorpshoofd Mato Granaou in alle windrichtingen. „Mijnheer, je moest veertig jaar geleden moedig zijn om van hier naar die bergen daar te wandelen. Want tussen de bomen leefden gevaarlijke wilde dieren.”

Met kleine maar oersterke boompjes van nog geen dertig centimeter wordt nu rond Kup Kup geprobeerd de omgeving van toen te herscheppen. „We hebben dit zelf gedaan, dit is ónze inspanning”. Mannen van het dorp ploeterden op de uitgeputte grond, de vrouwen brachten eten. Drieduizend bomen plantten ze, verderop bij de bergen droeg de overheid haar steentje bij door er nog eens zevenduizend te planten. „Ik ging op bezoek in Dan Saga en zag het contrast met onze omgeving”, zegt de jongeman Siraja Kanana. „Daarom zijn we hier aan het werk gegaan. De bomen zullen de wind breken, het oprukkende zand stoppen en de akkers weer vruchtbaar maken. Kom over drie jaar terug en u zult het verschil zien.”

„Het wordt hier nooit wat in Niger.” In Niamey praat het hoofd van een grote buitenlandse hulporganisatie over „de tienduizenden kinderen die wij jaarlijks moeten bijvoeden”. Hij maakt een hopeloos gebaar. „De Nigerese regering ontkent de crisis zelfs en staat niet toe dat wij rapporten publiceren over deze ellende”. Is hem de inspanningen opgevallen van de Nigerezen zelf? „Nee”, de hulpverlener heeft de nieuwe bomen nooit zien staan. De verblinde Westerse goeddoener in Afrika, de wereldvreemde pleisterplakker.

Petit cadeau

In de oostelijke stad Zinder pronkt op bijna iedere straathoek een reclamebord van een buitenlandse noodhulporganisatie. Vijf jaar geleden waren er misschien vijf. Maar toen de BBC in 2005 ging berichten over „een catastrofale hongersnood in Niger” werd de stad overspoeld met hulpverleners. Bashir Amadou van de ontwikkelingsorganisatie SOS Sahel Niger ergert zich. „Wat ons kwaad maakt, is het aanzien van hulpeloosheid dat het buitenland van ons schept”, zegt hij. „Het was de buitenwereld die ons in 2005 begon te vertellen dat zich hier een ramp afspeelde. Wij wisten dat het weer een periodieke droogte betrof, zo gaat het nu eenmaal om de vier of vijf jaar in de Sahel. Maar het was geen ramp. En de tekorten waren bovenal ontstaan omdat er voedsel naar het naburige Nigeria werd gesmokkeld”.

Hulpverleners en journalisten kwamen zoeken naar ondervoede kinderen. „Ze zagen niet dat tegenover ieder kindje met opgezwollen buikje vele kinderen stonden die zich wél wisten aan te passen aan de situatie. De buitenlanders zien de sociale strategie niet van de bewoners om te overleven”. Door hun onkunde ondermijnen hulpverleners de traditionele manier om de terugkerende magere jaren te doorstaan. „Gaat het slecht in een familie, dan krijgt het gezinshoofd als eerste te eten. Hij moet immers voor iedereen zorgen. Maar wat doen de hulpverleners? Zij rijden naar de dorpen, stappen uit hun auto’s en vragen: ‘Wie zijn de allerarmsten, wie zijn de meest kwetsbaren?’ Zíj krijgen een bonbon, een petit cadeau. Wat denk je dat zoiets voor effect heeft op een kleine dorpsgemeenschap? Dat je de allerarmste moet zijn om geholpen te worden?”

Aanwas van bomen lost problemen op, voedselhulp kan de eigen aanpak van de Sahelbewoners doorkruisen. „Al sinds de jaren zestig zijn we bezig ons aan te passen aan klimaatverandering”, betoogt Badamassie Ouregounou, een andere medewerker van SOS Sahel. „Bombardeer ons niet met geld en voedsel. Maar geef de boeren van de Sahel een steuntje in de rug. Om hun eigen overlevingsmethodes te helpen versterken, want zij hebben kennis, ze weten wat voor soort planten beter tegen droogte kunnen. En hoe op de groei van bomen te letten.”

De ommekeer heeft plaatsgevonden, maar de ecologische ramp in de Sahel is nog niet afgewend. Medewerkers van het Ministerie tegen de Woestijnvorming in de hoofdstad Niamey spreken over de woestijn die nog ieder jaar een paar kilometer oprukt. Niger is, met een levensverwachting van slechts 45 jaar, nog steeds straatarm. De overheid heeft niet de financiële mogelijkheden om op grote schaal te interveniëren. Het gemiddelde inkomen is ongeveer 150 dollar per jaar, 63 procent van de bevolking is arm, 34 procent extreem arm. De groene weg zal lang zijn. „Geef ons tijd, we moeten geduld hebben, resultaat op korte termijn is niet mogelijk”, bepleit Badamassie Ouregounou.

De vrouwen van Dan Saga hebben de ronde voedselopslagplaatsen bij hun huizen volgepropt met gierst, de oogst valt weer vele malen hoger uit. Tijdens de droogte in 2005 stierf er niemand door honger in Dan Saga. Het is vrijdag en tijd voor het hoofdgebed. De mannen in dure gewaden verzamelen zich onder de eerst geplante neemboom. Zonder bedelstaf, in Afrikaanse waardigheid.

Dan Saga ontving de nationale milieuprijs van Niger. Aan de Universiteit van Niamey werkt Toudou Adam, hoofdonderzoeker naar de spectaculaire boomaanwas. De professor bejubelt de bewoners van Dan Saga en beschimpt de buitenwereld die het wonder van de vergroening in Niger niet wil zien. Heeft hij hoop dat bij zijn leven de woestijnvorming in de Sahel zal worden gestopt? Hij neemt een optimistische houding aan, hij wil ‘ja’ antwoorden. Dan bedenkt hij zich. „Ach, ik ben al over de vijftig jaar”, lacht hij. „Dat is hoger dan de levenverwachting in Niger.”

 

Schrijf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *