Kenia: Verscheurde wereldsteden Parijs en Nairobi

Aan de randen van Nairobi en Parijs klinkt dezelfde taal: die van woede en isolement. Twee NRC-correspondenten gingen samen op reportage in de getto’s van elkaars hoofdstad.‘Er is geen sprake meer van één samenleving.’

De karakters:

 

Insa Sané (34) is rapper en romanschrijver. Hij is geboren in Senegal en vanaf zijn zesde jaar opgegroeid in de Cité des Rosiers in Sarcelles, een licht ontvlambare uithoek van de Parijse voorsteden. Hij reist Frankrijk door met zijn Soul Slam Band, geeft lezingen over zijn jeugdromans en was te zien in het tv-journaal. In Kenia noemen ze agenten hyena’s, in Frankrijk zeggen ze kippen. „Voor de kippen zal ik altijd een gevaarlijke jeune uit de banlieue blijven”, spuwt hij in zijn ordelijke flatje in Sarcelles. De politie is de grensbewaker tussen twee werelden. „Het heiligdom van de consumptie wordt heel goed bewaakt. Het mag niet worden bevuild door mensen zonder geld.”
Enkele maanden terug was Insa té opstandig. Hij weigerde languit op straat te gaan liggen voor de zoveelste paspoortcontrole. Dit keer bleef het niet bij een nachtje cel en anuscontrole. De rechter gaf een voorwaardelijke celstraf. Insa wil liever vergeten voor hoe lang.

 

Sammy Gitau (36) was drugsdealer en dominee. Nu leidt hij een buurthuis. Hij is geboren en opgegroeid in Mathare, één van de honderd sloppenwijken van de Keniaanse hoofdstad Nairobi. Ver weg van de rijke wijken woont hij, maar met zelfvertrouwen beweegt hij zich in de welvarende wereld. „De politieagenten in de betere buurten merken dat we er niet bijhoren”, schimpt hij in een kokendhete container in Mathare. „De hyena’s, ze ruiken het: wat heb je hier te zoeken?, vragen die klootzakken in uniform. Dan laat ik een duur mobieltje zien, om te tonen dat ik bij de rijken hoor. Meestal kan ik dan gaan.”
Een maand geleden, toen een ‘stille’ hem het bevel gaf de inhoud van zijn rugzakje op straat uit te stallen, reageerde Sammy met een te grote mond. Op het bureau vroeg de hoofdagent hem: „Ben jij soms een activist? Met hen rekenen we op onze eigen manier af: die vermoorden we.”

 

 

Hoofdstukken:

 

1.

In de getto’s van Nairobi en Parijs
Sammy Gitau en Insa Sané kennen elkaar niet. Op het eerste gezicht hebben ze weinig met elkaar gemeen. Gezien vanuit de sloppenwijken in Nairobi lijkt Parijs één bad van weelde. In de Parijse voorsteden is Nairobi een onbestemde vlek: ergens in Afrika, dus arm, en geen voormalige Franse kolonie, dus onverstaanbaar. „Kenia? Ken ik niet”, zegt een jonge Fransman die rondhangt in een troosteloze flatwijk bij Parijs. Maar als hij op de computer een clip ziet van rappers uit het Keniaanse Mathare, met rauwe beelden over drugs, slaat de vonk over: „Die jongens rappen over hun getto. Net als wij.”
Als correspondenten met standplaatsen Nairobi en Parijs zeiden wij op een dag ook zoiets tegen elkaar: wat jij in jouw land hoort, zeggen mensen bij mij ook. En we geloofden het niet van elkaar.
We besloten samen op reportage te gaan, in de buitenwijken van Nairobi en Parijs. We spraken er met mensen die hun eigen weg zoeken tussen elite en marge. We ontmoetten vechtende jongeren in sloppen en buitenwijken, dromende politici en gedreven leraren.
En we hoorden echo’s. „In Londen en Nairobi wonen steeds meer mensen in failed neighbourhoods”, observeerde bijvoorbeeld de schrijver en journalist Parselelo Kantai op een stoffig terras in Nairobi. Hij woonde anderhalf jaar in Londen, en kwam tot de conclusie dat het leven in een grote Europese stad niet wezenlijk anders is dan in zijn Nairobi. „De natiestaat, als ideaal van een samenleving waarin iedereen bij elkaar hoort, is verleden tijd. Mensen zijn op zichzelf teruggeworpen.”
„Het grote sociaal-democratische project van verkleinen van ongelijkheden is verleden tijd”, vertelde Didier Lapeyronnie, een socioloog die na vijf jaar onderdompeling in een getto in Zuidwest-Frankrijk weer een kantoor in Parijs heeft betrokken. „Er is geen sprake meer van één samenleving. Zelfs klassenstrijd bestaat niet meer. Verschillende bevolkingsgroepen willen gewoon niets meer met elkaar te maken hebben. Ze organiseren een zo groot mogelijke afstand tot elkaar.”
We verdiepten ons in de vraag of exploderende armoede in Afrika en groeiende problemen in de migrantengetto’s van Europa twee gezichten zijn van één probleem. In de periferie van wereldsteden zijn ontwikkelingslanden en verzorgingsstaten met elkaar in botsing gekomen. De economie verdwijnt in een zwarte parallelmarkt. Politiek en openbaar bestuur verliezen hun greep op sociale ontwikkelingen. Aan de randen van de wereldsteden heerst een ondoordringbaar isolement, met een bevolking die eigen wetten maakt. Dit isolement ziet er in Europa anders uit dan in Afrika. Maar schuilt daarachter in de steden op de twee continenten dezelfde uitzichtloosheid?

2.

Een ondoordringbaar isolement
In het Keniaanse Mathare slingeren de schapendarmen rond bij het huisje van rapper Willo Mwaura. Zijn huisje ligt bij een openluchtabattoir. De familie verdient een centje bij met het wassen van bebloede slagersjassen. In de nauwe steegjes liggen zakken stront: ‘vliegende toiletten’.
Enkele weken geleden kwam een ambtenaar Willo Mwaura opzoeken voor de tienjaarlijkse volkstelling. Hilarisch had hij de ontmoeting gevonden. In zijn optrekje van vier bij vier meter barst Willo in lachen uit. „Hij vroeg me naar het aantal slaapkamers. Ik antwoordde: die hoek is mijn keuken, die andere hoek mijn slaapkamer en je staat nu in de woonkamer. Werkelijk, dat tuig van de overheid wil ons niet begrijpen. Die regering aan de andere kant van de Moi Avenue is niet van ons.”
De Moi Avenue doorsnijdt Nairobi: een lange autoweg die dwars door de stad loopt. Aan de ene kant ligt het moderne zakendistrict. Hoge kantoren, regeringsgebouwen, veel internationale organisaties. Dat is het centrum van de stad. De rijke wijken liggen daarachter, in de heuvels rondom de stad. Villa’s, met zwaarbewaakte hekken.
Aan de andere kant van de Moi Avenue liggen de volkse buurten. Sloppenwijken. Mathare is, met Kibera, een van de grootste en bekendste. Een labyrint van golfplaten huisjes, omringd door afval, met één openbaar toilet per 1.200 mensen. Kinderen groeien er op als zakkenrollers. Van de vier miljoen inwoners van Nairobi leeft 60 procent in wijken als Mathare.
Willo Mwaura is 26 jaar. Hij heeft de basisschool gevolgd, de Jamhuri-school voor het gewone volk. Hij had als kind nog dezelfde toekomstdromen als zijn leeftijdgenoten op het elitaire Saint Mary aan de andere kant van de Moi Avenue. „Ik wilde piloot worden, of dokter. Maar de werkelijkheid drong al snel tot mij door, wij hebben die kansen niet. Nu dromen scholieren aan deze kant niet meer. Wie arm ter wereld komt, zal arm sterven”.
Zou hij niet aan de andere kant van de Moi Avenue willen wonen? Mwaura denkt even na, alsof hij de vraag niet goed heeft begrepen. „Hoe noemen jullie zo’n apparaat waar je op moet drukken? O ja, een deurbel, daarmee moet je aanbellen. Zo kun je toch niet met elkaar omgaan! Als je in die rijke buurten suiker bij je buurman wilt lenen, moet je de chauffeur erop uitsturen. Daar moet een bewaker het hek voor hem openen. En je moet erop letten of de chauffeur niet te lang wegblijft. Nee, zo kan ik niet leven. Al geef je me een miljoen dollar, ik blijf aan deze kant.”
Zijn vriend Sharray Githuku maakt een uitzondering. „We vinden het prachtig om vrouwen te versieren van de andere kant van de Moi Avenue, lekkere grieten met lippenstift. Dat voelen we als uitdaging.” En wie betaalt er voor het avondje uit? Uitbundig gelach in het hok van Willo: „Die dure dame natuurlijk, dat is nu juist de uitdaging.” In een verbintenis tussen rijk en arm geloven Sharray en Willo niet. „Jij laat je rijke dochter toch niet met mij trouwen, dan wordt jouw familie geïnfecteerd door armoede. Er bestaan twee stammen in Kenia: de rijke en de arme. Samen leven kan niet”.
Willo en Sharray maken rauwe rap. Niet over glimmende auto’s en geile dames, maar over het sloppenleven, gemixed op Willo’s computer. Tenminste, als er stroom is. ‘Hoopmuziek’ noemt Sharray het, muziek die de armen verenigt. De voertaal is sheng, een sloppentaal van Engels, Kiswahili en stammentalen. Het is de taal van de armen. „Je hebt maar één kans”, luidt een song over een arm meisje dat zich door een bendeleider laat versieren.
In Sarcelles, Parijs, zit de hal van Insa Sanés flat op slot. En binnen in die hal bevindt zich de deurbel waarmee we onze komst kunnen aankondigen. Pas als een buurtbewoner het hek van het naastgelegen parkeerterrein opent, komt een sluipweg naar de achterdeur vrij.
Het lijkt op het betonnen schrikbeeld dat Willo Mwaura uit Mathare van rijke buurten schetst. Maar dit is Sarcelles, een beruchte voorstad, bekend om zijn werkloosheid, troosteloosheid, rellen, criminaliteit.
In het flatje van Insa Sané kruipt een peuter rond bij de kolossale tv. Sané kijkt via de laptop op zijn glazen eettafel naar de clip van Willo en Sharray. Kijk, die pet van Willo. Een beetje scheef gedragen, rechte klep. „Daar zie je al aan dat dit geen commerciële crap is.” In de jaren negentig bogen rappers hun klep juist dubbel. „Wie toen een rechte klep had, kon je beroven: dat was een imitator van de andere kant.”
De andere kant. Ook Parijs heeft zijn Moi Avenue. Hier heet de scheidslijn de Périphérique – letterlijk de randweg. Erbinnen ligt Parijs. Erbuiten de banlieue. Er zijn rijke voorsteden, en arme.
Sarcelles hoort bij de 751 Franse erkende ‘stedelijke probleemzones’. Een derde van de elf miljoen inwoners in de regio Parijs woont daarin. Veel is hier in verval: de flats, het onderwijs, zelfs de dokters trekken weg. De werkloosheid onder jongeren is er bijna 50 procent, vaak groeien kinderen op als derde-generatie werklozen.
Insa Sané is 36 jaar. Ooit stuurden leraren in zijn probleemwijk hem naar het lager beroepsonderwijs, zoals al zijn klasgenoten. „Toen begreep ik dat onderwijs mijn dromen niet dichterbij zou brengen.” Zijn uitgever laat hem nu langs middelbare scholen trekken om zijn jeugdromans voor te lezen. „Laatst vroeg een lerares bezorgd of ik dan niet gewelddadig zou zijn in de klas. Of de kinderen geen gevaar liepen.”
Zou hij niet naar de andere kant willen verhuizen? „Nooit. Ik wil geen voeding geven aan de leugen dat in hartje Parijs wonen het bewijs van succes is”, zegt Insa. „Ik blijf aan mijn kant, ik snijd de navelstreng niet door.”
Sanés vriendin Rebiha Karbache wil niet dat hun zoon opgroeit tussen de varkenseters in het zestiende arrondissement. „Mensen zoals wij horen hier, in Sarcelles.” Zij prijst de diversiteit van de moslimbevolking van Sarcelles. „Ik kom uit Algerije, Insa uit Senegal, de buren uit Marokko. In Parijs ziet iedereen er hetzelfde uit, en toch kennen mensen zelfs hun eigen buren niet.”
Rebiha Karbache zelf gaat elke dag vanuit Sarcelles naar het centrum van Parijs. Ze werkt als verkoopster van sieraden en luxe kleding in Les Galeries Lafayette, een warenhuis voor toeristen en rijke Parijzenaars. Op een dag kwam haar zwarte vriend haar onverwacht ophalen. „Ik schrok toen ik hem zag. Zulke mannen komen nooit in het soort winkels waar ik werk!”
Afrika, dat is armoede, geweld en droogte. Europa is: consumptiemaatschappij, verveling, alles nú en snel een beetje. In Afrika loopt een mensenleven al snel gevaar. In Europa kunnen er wekenlang rellen zijn zonder doden. Wat zijn de overeenkomsten tussen deze werelden?

3.

Broeinesten van cynisme
Ex-drugsdealer en dominee Sammy Gitau in Mathare, Nairobi, weet hoe de wereld in elkaar zit. Hij heeft er een tekening van gemaakt op de golvende wand in de bloedhete container die als zijn buurthuis dient. Niet iedereen mag de tekening zien. Hij duwt een deurtje open in een geïmproviseerde scheidingswand. Dit is zijn geheime plaats, zijn hok. Hier slaapt hij en denkt hij.
De wereld is een boom. Gitau wijst naar de kruin van zijn tekening. „Daar zitten de rijkste zakenmannen van Kenia, de president, maar ook de westerse hulpverleners.” Iets lager, behaaglijk in de takken, de kleine Keniaanse middenklasse, maar ook prostituees en vluchtelingen uit buurlanden als Somalië. „Die worden rijk en machtig door internationale hulp.” De sloppen bevinden zich onder de grond, nog lager dan de armen op het platteland, aan het uiteinde van de diepste wortels.
Vergeet het woord ‘ontwikkelingsland’ – dat is niet langer bruikbaar voor Mathare. Veertig jaar geleden gold armoede nog als achterstand, als een tijdelijk probleem in een ex-kolonie die met westerse hulp nog tot een stabiele en bloeiende staat moest uitgroeien. Armoede leek een vuiltje dat snel zou zijn weggepoetst.
Sloppenwijken als Mathare en Kibera waren toen nog als dorpjes in een stad: overgangsgebieden, met de sociale gemeenschapszin van het platteland in een stedelijke omgeving. Met geiten, plattelands- tradities en ceremonies, akkertjes en ouderlijk gezag. De vader van Sammy Gitau was wijkoudste, die burenruzies oploste, ondeugende kinderen terecht wees, de orde bewaarde. Kinderen woonden bij hun ouders thuis, tot ze gingen trouwen. Nu sturen ouders hun kinderen op jonge leeftijd weg uit de overvolle krotten: ‘Ga op jezelf wonen, je wilt er toch niet bij zijn als je moeder een scheet laat!’
Mathare is nu een sociale chaos, een broeinest van misdaad en cynisme. Kinderen groeien er op als zakkenrollers, op hun dertiende krijgen ze een pistool, op hun achttiende beroven ze hun eerste bank.
Sammy Gitau leerde op school drugs te verkopen. Later handelde hij zijn deals af op het politiebureau. Hij blonk uit bij gevaarlijke gang-gevechten. Een evangelische dominee redde hem van zijn verslaving. Als prediker reisde hij vervolgens door het land. Maar zijn mentor bleek uit te zijn op macht en rijkdom. „Ik voelde me gehersenspoeld”. Gitau keerde terug naar Mathare en probeert nu in de voetsporen van zijn vader te treden, als buurtwerker. „Dat is hard nodig, want het is ieder voor zich”, zegt hij.
Insa Sané heeft ons meegenomen naar het deel van Sarcelles waar hij zijn jeugd doorbracht. We ontmoeten er Fred Colin (37), T-shirtverkoper, een vriend van Insa. In de jaren tachtig waren Insa en Fred buurjongens. Voor de Senegalese ouders van Insa was een flat in deze wijk een paleis. Tot eind jaren zestig belandden migranten nog in krottenwijken rondom Parijs. „Een woning hier hield voor hen de belofte in dat wij, hun kinderen, het beter zouden krijgen”, zegt Sané. Dat gold ook voor zijn ouders, volgens Fred Colin. Zijn ouders waren geen immigranten, maar blanke arbeiders die al generaties in Sarcelles woonden. „Het probleem is dat mijn familie hier niet succesvol is geweest. En onze kinderen hebben nóg minder kansen.”
Tot in de jaren zeventig heerste in Frankrijk het geloof in een betere toekomst voor alle inwoners, net als in ontwikkelingsland Kenia na de onafhankelijkheid. Sanés ouders arriveerden net na de Trente Glorieuses, de gouden naoorlogse decennia van vanzelfsprekende groei, stijgende welvaart en kansen voor iedereen.
In het centrum van Sarcelles herinneren omgebouwde boerenschuren nog aan het provinciale karakter dat de stad tot de jaren vijftig had. Samen met het optimisme rukte toen het beton op: flats in grote blokken met nauwe passages, binnenpleinen, afgesloten speelplaatsen, ingebouwde buurthuizen.
Dit is wat Fransen een cité noemen: ooit het woord voor de hele stadssamenleving, nu voor ‘rotte plek’. Nog steeds zijn de beste bedoelingen van de stedelijke planologie zichtbaar. De flats zijn niet bijzonder hoog, er staan bomen op het pleintje, jongens en meisjes hangen rond op banken en in de speeltuin. Maar architectuur bedriegt, zegt Colin. „Als je hier woont, krijg je de neiging je af te sluiten van de buitenwereld. We isoleren onszelf.” De groepjes flats vormen enclaves waar buitenstaanders niets te zoeken hebben. Politie is niet welkom. Volgens Insa Sané houden drugshandelaren de wijk vanaf een lege woning op een hoge etage scherp in de gaten.
Tegenwoordig noemen de inwoners van Sarcelles hun betonwijken ‘Sarcelles Getto’. Het zijn migrantenbuurten. Maar de segregatie is niet alleen cultureel bepaald, zegt Fred Colin. „Ik maak niet méér kans op een woning dan een migrant. En ik heb ook geen werk.” Op de T-shirts die hij als bijverdienste zwart op straat verkoopt, staat I love Sarcelles. Maar als hij kon verhuizen, ging hij ver weg van Parijs wonen, zegt hij. Het liefst in de bergen of „op dertig kilometer van zee”.

4.

Ruzie en rellen
De twee gescheiden werelden van Kenia kwamen in 2008 bijna met elkaar in conflict. Na omstreden verkiezingen braken hevige gevechten uit in Mathare en Kibera. De bewoners van de sloppenwijken probeerden het stadscentrum te bereiken, voor betogingen, acties, en om gratis te winkelen. Veiligheidstroepen sloten de arme wijken hermetisch af. De in het nauw gedreven bewoners begonnen op elkaar in te hakken. Politici deelden geld uit om tegenstanders van een andere partij, en dus een andere stam, af te slachten. Wekenlang stonden Mathare en Kibera in brand.
„Oh man, we renden de hele dag rond om ons te verdedigen”, zegt rapper Willo Mwaura. Hij schaamt zich nu voor deze primitieve stammenstrijd. „We lieten ons tegen elkaar opzetten door politici.” Willo Mwaura voorspelt een nieuwe golf van geweld. „Ik ruik het, er komt een nieuwe oorlog aan, maar dit keer aan de andere kant van de Moi Avenue. Wij armen gaan niet opnieuw tegen elkaar vechten.”
Hij ziet een kans het naderde onheil af te wenden: laten we Kenia opdelen in twee naties: één van de armen en de andere van de rijken.”
Sinds de rellen staan rondom de Keniaanse sloppenwijken permanent vrachtwagens met zwaarbewapende paramilitairen opgesteld. Ze voeren gevechten met straatventers, misdadigers of sluiten de wijken af bij dreiging van rellen. Het is permanent geweld dat bij het alledaagse straatbeeld in Nairobi hoort.
Her en der steken tribale groepen de kop op, zoals Mungiki, de Taliban en de Bagdad boys. Deze bewegingen propageren een terugkeer naar de ‘goede oude tijd’ van Afrikaanse solidariteit, van tradities en eigen Afrikaanse goden. Hun milities oefenen toenemende aantrekkingskracht uit op werkloze jongeren. Mungiki telt een geschatte aanhang van een miljoen. Bendeleden persen geld af van bewoners en chauffeurs in het openbaar vervoer, ze leveren veldslagen met de politie en hakken handen en hoofden af van degenen die zich niet aan hun terreur onderwerpen. Waar de politie niet meer durft te komen, heersen de milities.
Franse stadsrellen beginnen meestal met het overlijden van iemand na een mislukte controle van de politie. Zo ging het ook eind oktober 2005. Drie weken lang trokken jongens in ‘probleemwijken’ in heel Frankrijk elke nacht de straat op. Bussen, auto’s, scholen, winkels, bibliotheken werden in brand gestoken. De regering riep de noodtoestand uit.
‘Ik sta op mijn barricade als een loopse teef/ hoe meer tijd verstrijkt, hoe erger ik verval’, rapte Insa Sané in die weken. ‘Democratie? M’n reet!’, luidt de titel van zijn rap over de uitzichtloosheid en frustratie die hij op straat tussen vechtende jongens optekende. ‘Wat een klootzak, ik wilde bijzonder zijn/ Ik zette de school in de fik, die me opleidde tot niemand in het bijzonder.’
In 2007 waren er opnieuw rellen in Parijse buitenwijken, na een dodelijk incident in de licht ontvlambare buitenwijk Villiers-le-Bel. De woede is nadien rauwer geworden, zegt Sané. De jongsten doen Amerikaanse rappers na die „afscheid hebben genomen van elke gedachte aan een betere wereld”. Geld is om mee te pronken, vrouwen zijn per definitie hoeren. Het is de wereld van mannen die zich gecastreerd voelen, meent Insa Sané. „Slagen staat gelijk aan consumeren.”
Het hoogste doel is winkelen in dure winkels in het centrum van Parijs. Maar op de stations waar de treinen uit de voorsteden aankomen, houden militairen en agenten de wacht. „Waakhonden zijn het”, zegt Insa Sané, „om te bijten naar mensen aan de rand van de samenleving”. Politieagenten hebben een feilloos instinct om voorstadbewoners te herkennen. Niet alleen omdat die meestal zwart zijn. Hoe je pet staat, je lichaamshouding, je manier van kijken, alles verraadt je. „Het is moeilijk door het leven te gaan als permanent schuldige”, zegt Insa Sané. ,,Dan blijf je op een gegeven moment liever in je eigen territorium. Of je wordt boos, heel boos.”
Een uitweg ziet hij niet. „In de jaren tachtig kon je nog denken aan het communisme als alternatief voor het kapitalisme. Nu rest religie of nihilisme. Wie het verlangen naar ‘cash’ opgeeft, kan zich alleen nog tot God wenden.”
Evangelische kerken en moskeeën stromen vol. Misdaad wordt harder. Op agenten wordt steeds vaker geschoten. In de ergste wijken komt de politie niet meer, net als in Kenia, tenzij met pelotons in gevechtstenue. De oproerpolitie oefent stadsguerrilla in een speciaal nagebouwde voorstad in midden-Frankrijk.
Gevoelens van vernedering, woede, toenemende wetteloosheid. In Europa heet het een integratieprobleem, in Afrika een armoedeprobleem. Zijn dat twee verklaringen voor hetzelfde probleem?

 

5.

Denken over de tweedeling
De gepensioneerde Keniaanse socioloog Cyrus Mutiso volgde onderwijs in de jaren vijftig. Op een school van blanke missionarissen ruilde hij zijn Afrikaanse gewoontes in voor westers geloof en westerse waarden. Hij studeerde in Amerika. Na de onafhankelijkheid in 1963 kwam hij terug om te helpen Kenia op te bouwen. Hij wilde scheidsmuren afbreken, een nieuw, verenigd land stichten. „Wij waren toen nog optimisten, arm en rijk zouden samen één natie vormen. We vertrouwden onze politici, we voelden ons gelijkwaardig”, vertelt hij.
Begin jaren zeventig trok Mutiso zich terug binnen de muren van zijn universiteit: teleurgesteld door de corruptie van president en politiek systeem. Jarenlang observeerde hij hoe de kloof tussen arm en rijk dieper werd, die tussen jongeren en ouderen, boeren en nomaden, tussen stammen onderling en de politieke elite en haar onderdanen. De sociale ontworteling vervult hem met melancholie. „Het verlies van mijn tradities heeft mij verwijderd van de meerderheid der Kenianen.”
Cyrus Mutiso hoopt nu dat jongeren een nieuwe, minder tribale cultuur zullen voortbrengen. „Sheng-taal die in de sloppen ontstaat, zal ooit de basis worden van een nieuw Kenia.”
In zo’n eenheidsdroom kan een jongere denker als Parselelo Kantai (36) niet meer geloven. „De natiestaat is een dood project: in Afrika net zo goed als in Europa”, zegt hij, op een terras aan de rijke kant van de Moi Avenue.
Parselelo Kantai is een van de opkomende schrijvers en journalisten van Kenia. Hij schrijft over de mislukking van het ‘project Kenia’. „De mensen zijn op zichzelf teruggeworpen, iedereen moet het alleen zien te redden. Ons leven wordt bepaald door een dynamiek van verlies en opnieuw beginnen.”
Kantai is opgegroeid aan de goede kant van de Moi Avenue. In de jaren tachtig verdeelde die de stad nog niet zo in tweeën als nu. Kantai ging naar Saint Mary, de middelbare school van de elite. „We speelden wedstrijden op straat met de armen die naar de Jamhuri-school gingen. Zij plaagden ons met onze geïmporteerde dure schoenen. Nu verschuilen de rijken zich achter hoge muren en elektrisch prikkeldraad. We hebben ons in onze vesting teruggetrokken, door de groeiende misdaad is het te gevaarlijk om op straat te spelen.”
Kantai noemt de misdaad ‘een soort klassenstrijd’. De spiraal van ruwheid, angst en onderlinge strijd ziet hij ook in Londen, waar hij woonde en nog regelmatig komt. Het Europese debat over integratie is bedrieglijk, vindt hij. „Daar gebeurt hetzelfde als in Nairobi: de stedelijke eenheid is aan het verdwijnen. De banden tussen centrum en periferie worden in alle wereldsteden losser. In Europa is de breuk nog niet zo absoluut, maar overal wordt de strijd aan de rand van steden harder. Het is een soort ondergronds patroon van de globalisering. Uiteindelijk is het een strijd om te overleven.”
Regelmatige, grootschalige woedeuitbarstingen horen bij dat wereldwijde patroon, meent Kantai. De rellen in Nairobi in 2008 noemt hij „een enorme zege van de onzichtbaren, de armen: even werd zichtbaar waar alles in een moderne wereldstad om draait: angst.”
In Nairobi is de scheiding compleet, zegt Kantai. Rijken kijken op de armen neer, als pijnlijke herinnering aan toen ze zelf nog in de blubber leefden. In hun Mercedes mijden ze nu de arme buurten. Armen bezitten één net pak, om niet op te vallen als ze gaan zakkenrollen in de dure wijken.
Achter een kapitale glazen schuifdeur bij het Odéon, in het centrum van Parijs, huist socioloog Didier Lapeyronnie in een klein kamertje. Zijn verhaal begint in Brazilië. Daar ontstonden de eerste wijken met hoge muren eromheen. In São Paolo heeft elke sociale groep zijn eigen getto, achter hekken, met eigen winkels, eigen scholen. Niet alleen de elite zondert zich af, ook de middenklasse, de lage middenklasse, de net-niet-armen. In de armste wijken bemoeit de staat zich niet meer met veiligheid, belastingen, onderwijs. „Om te begrijpen welke kant onze steden opgaan, moeten we kijken naar het Zuid-Amerikaanse model”, zegt Lapeyronnie.
De Franse steden zijn ook hard op weg uit elkaar te vallen. En gettovorming beperkt zich niet meer tot louter Parijs, betoogt Lapeyronnie. Hij deed vijf jaar veldonderzoek in een getto in een kleine stad in het zuidwesten van Frankrijk. Hij schreef daarover Le Getto Urbain, over segregatie, geweld en armoede. Centrum en buitenwijk van elke stad en elk stadje zijn van elkaar afgesneden geraakt. Getto’s zijn geen uitzondering, maar de nieuwe norm. „Ik geloof geen vijf seconden in het herstel van sociale eenheid in verscheidenheid”, zegt Lapeyronnie. „We zijn terug bij de situatie van vóór 1848: iedereen leeft in zijn eigen sociale wereld.”
Om de stad van de 21ste eeuw te begrijpen, moeten we volgens Lapeyronnie de 19de eeuw vergeten. Nieuwkomers trekken niet meer naar steden voor werk, maar om mensen zoals zijzelf te vinden. De armen gaan bij de armen wonen, de migranten bij de migranten, en dat wordt ook van hen verwacht. „Rijken zijn er genoeg, dus die organiseren zich onder elkaar. Ze zorgen dat hun kinderen naar de beste scholen gaan, naar gesloten verenigingen en beschermde vakantieoorden. Samenleven is geen resultaat meer van een gemeenschappelijke geschiedenis, het is een kwestie van een effectief beheer van de publieke ruimte.”
Wat zich op stedelijk niveau al heeft voltrokken, dringt volgens Lapeyronnie nu ook de nationale politiek binnen. De verzorgingsstaat erodeert, en zal door het gebrek aan solidariteit op den duur een historische uitzonderingstoestand blijken te zijn geweest – net als de natiestaat. „Het is geen toeval dat de sociaal-democratie overal in Europa in crisis is. We praten nog wel over gelijkheid, solidariteit en sociale vooruitgang voor iedereen, maar mensen zijn niet meer bereid offers voor anderen te brengen.”
Politici winnen nu kiezers door segregatie aan te jagen. Thema’s als veiligheid, nationale identiteit en onderwijshervormingen zijn gekleurd door de wens om grenzen te trekken; de grens tussen wie er wel en niet bij hoort. Media helpen volgens hem goed mee iedereen in zijn eigen gebied te houden.
6. Radio en tv verdelen mee
In Nairobi loopt de scheidslijn tussen arm en rijk ook dwars door de media heen. Tijdens een ontruiming door de politie, enkele maanden geleden, van huisjes met tweehonderd ‘illegale’ families in de arme wijk Eastleigh werd een 90-jarige vrouw verkracht. Journalisten waren getuige, maar berichtten er niet over. „Zelfs over onze doden, onze verkrachte vrouwen, onze kinderen die lijm snuiven en onze drugsverslaafden willen ze niet meer weten aan de andere kant van de Moi Avenue”, klaagt een sloppenwijkbewoner.
Alleen Ghetto Radio, met louter medewerkers uit de sloppen en programma’s gericht op de arme wijken, bracht het nieuws. Robert Ocholla is een Ghetto-verslaggever. Hij wijst naar de hoge torens van het stadscentrum in de verte. „Ik versloeg er eens een persconferentie in het Hiltonhotel over de lancering van een nieuw station voor sateliet-tv. Na afloop keek een journalist van de zakenkrant The EastAfrican mij scheef aan. „Wat heb je hier te zoeken”, bracht hij geschokt uit. „Ik was niet gekomen als ik wist dat jij er ook zou zijn.”
Wanneer de regering een rapport publiceert over de voorbereiding op natuurrampen in de stad willen de Ghetto-verslaggevers mensen spreken die de rampen aan den lijve zullen ondervinden. Ze hebben de sloppenwijkbewoners vrijwel altijd voor zichzelf alleen. Ghetto Radio draait ook de muziek in sheng-taal die op andere zenders geweerd wordt. „Wij scheppen een geheel nieuwe cultuur”, zegt Jacky Cly, de 24-jarige journalist die de studio runt.
Ook in Parijs dringt langzamerhand een tweedeling door in de pers, meent Florence Thémia, een journalist die met lokale reporters in de buurt van Sarcelles uitzendingen maakt. Radio Déclic, staat er sober op de versterkte toegangsdeur van een torenflat. „Weet je waarvoor grote media hier aanbellen?”, vraagt Thémia in haar kleine studio achter gebarricadeerde ramen. „Zodra ik de deur opendoe, krijg ik een camera op m’n neus geduwd en alle vragen gaan over het geweld in mijn cité.” Ze zegt bijna altijd nee tegen collega-journalisten die willen langskomen. „We dienen als makkelijke ingang tot gevaarlijk terrein. Wie hier met een camera gaat lopen met de naam van een grote tv-zender erop wordt aangevallen.”
Ook voor Radio Déclic is het niet gemakkelijk wijkbewoners zélf te laten vertellen. „Ze hebben het gevoel dat hun wereld volstrekt niet interessant is”, zegt Thémia. Iedereen kijkt naar elders. Jongeren voelen zich eerst Malinees of Haïtiaans, ook al zijn ze daar nooit geweest. Dan identificeren ze zich met hun wijk. Maar nooit met Frankrijk.”
Na tien jaar werken is Thémia teleurgesteld. „Iedereen denkt aan snel geld verdienen en dan vluchten. Naar de Verenigde Staten. Daar is alles beter, is hun illusie.”
Is de hoop vervlogen?

7.

Afgezanten van de rijken
Een ommekeer in Kenia leek mogelijk in 2002. De bevolking was euforisch toen na 24 jaar neergang en onderdrukking onder president Moi de zegevierende oppositie een nieuw begin aankondigde.
De jeugdige activist John Githongo verruilde een baan bij Transparency International voor een ministerspost om corruptie daadwerkelijk te bestrijden. Hij bespiedde zijn collega’s, nam met een onder zijn shirt geplakt opnameapparaat gesprekken van collega’s op die over hun zwendel spraken en speelde die informatie door aan de nieuwe president, Kibaki. Totdat hij erachter kwam dat de nieuwe regering zich bediende van dezelfde dubieuze netwerken als de vorige president, dat corruptie een manier van regeren is geworden in Kenia. Na twee jaar vluchtte hij naar het buitenland.
Nu ontvangt hij in hartje Nairobi, in een marmeren kantoorgebouw van een buitenlandse hulporganisatie. Sinds zijn terugkeer naar Kenia laat John Gi-thongo zich beschermen door twee forse lijfwachten. Hij heeft zich ontpopt als aartsvijand van de elite en held van de armen.
John Githongo noemt zichzelf liever geen politicus. „Politiek brengt verderf. Dat vinden de meeste Kenianen nu. Politici worden als het probleem gezien”, zegt hij. Hij behoort tot de generatie die na de onafhankelijkheid is opgegroeid met moderne en democratische idealen. Zijn generatie krijgt nog nauwelijks voet aan de grond in de politiek.
Githongo werkt aan een beweging buiten de politieke netwerken om. Hij houdt contact met ‘de andere kant’. Soms gaat hij zelfs een nachtje slapen in Mathare of Kibera. Githongo heeft nog hoop de kloof te kunnen dichten. De in de jaren negentig door het IMF en Wereldbank afgedwongen liberalisering van de economie ziet hij als hoofdoorzaak van de verpaupering. „Als de economie niet met 5 maar 10 procent was gegroeid, was de tweedeling nog groter geweest.”
Maar de oplossing zoekt hij niet in verandering van het economische systeem. Het ontspoorde project van natievorming moet worden hervat, de geestdrift van de onafhankelijkheidsstrijd nieuw leven ingeblazen. „We hebben nog een kans. De hogere en lagere klassen moeten een compromis vinden, want als verandering alleen van de onderklasse komt, betekent dat plunderingen en wraak.”
Aan de arme kant van de Moi Avenue houdt Ndichu Ng’ethe (26) niet van abstracties. Hij zit langs een voetbalveld in Mathare. Vorige week is zijn moeder overleden, vorige maand zijn beste vriend. Hij zorgt voor hun achtergebleven kleine kinderen. Ng’ethe heeft een baan als buurtwerker. Op zijn twaalfde kozen zijn leeftijdsgenoten voor de criminaliteit, maar hij durfde dat niet.
Met een delegatie buurtwerkers uit Nairobi en Rio de Janeiro bezocht Ndichu Ng’ethe vorig jaar een achterstandswijk in Toronto. „Ik was voorbereid op rijkdom, maar ik zag daar evenveel frustratie en marginalisering.”
Een paar weken later kwam de groep uit Toronto op bezoek in Mathare, met zijn gebrek aan stromend water, elektriciteit, met zijn sloppen. „Ze zeiden nooit meer te zullen klagen.” Ng’ethe staat elke nacht op om rustig te kunnen studeren. Doorzettingsvermogen is zijn wapen tegen armoede. „Ik word misschien wel president.”
Sophie Audoubert (32) denkt wel te weten hoe de kloof in Parijs overbrugd kan worden. Elke ochtend verlaat zij haar appartement vlakbij de Tuilerieën, de tuinen bij het Louvre, in het Parijs van de toeristen, zakenmensen en intellectuelen. Ze neemt de metro en passeert de spreekwoordelijke muur die loopt tussen rijk en arm.
De metroroltrap duwt haar de straat op tussen vervallen façades van de stationsbuurt van Saint-Denis. Het is de dichtstbijzijnde noordelijke voorstad van Parijs, maar een totaal andere wereld. Andere huidskleur, andere kleding. ’s Avonds zijn er nauwelijks nog vrouwen op straat.
Audoubert geeft Franse les op een middelbare school. Leer en gij zult stijgen, dacht ze toen ze negen jaar geleden begon. Over haar pijnlijke ontdekking dat goede bedoelingen niet meer genoeg zijn, schreef zij een boek, Don Quichotte en banlieue. De scheiding loopt door in de hoofden van haar leerlingen. „Er staat een muur tussen hen en mij, die ik steen voor steen moet afbreken. Zij zien mij als afgezant van een rijke wereld waar zij altijd buiten zullen blijven. Wat ik als lerares over de wereld zeg, geldt per definitie niet voor hen. Zij hebben zich erbij neergelegd dat zij in barbarenland horen.”
Sophie Audoubert begrijpt meteen wat schrijver Parselelo Kantai in Nairobi bedoelt als hij spreekt over failed neighbourhoods. „Het is hier niet zo extreem als in Afrika: iedereen heeft hier wel een beetje materiële hulp. De breuk is subtieler, maar psychologisch gezien is zij al absoluut.”
Haar leerlingen schieten niets op met debatten over natie en identiteit. „Het zegt ze niets dat Fransen afstammen van Galliërs, dat Frankrijk een wereldrijk opbouwde in de tijd van het kolonialisme. Als mijn leerlingen over Fransen praten, bedoelen ze nu: blanken, de mensen die aan de andere kant wonen.”
Is er dan een ander model dat volgens Audoubert wel kan werken? „Dat zou Europa moeten zijn”, zegt ze. Niet dat Europa zo populair is in haar voorstad, maar het benadert meer dan de natie het ideaal van diversiteit. „Europa is net als een voorstad, een opeenhoping van identiteiten.” Maar Audoubert is pessimistisch over de kansen op een nieuw gevoel van bij elkaar horen. De kloven worden eerder dieper.
Tegenwoordig schrikt ze soms ook zelf als ze haar leerlingen ziet rondhangen op het Gare du Nord, het aankomststation vanuit het noorden in het centrum van Parijs. „Ik beschouw de stad als mijn privéwereld, die ik probeer gescheiden te houden van mijn werk.” Toen ze laatst in het centrum van Parijs aan iemand vertelde dat ze lesgeeft in een arme voorstad, kreeg ze te horen: „Ik ben ook wel eens in Afrika geweest. Daar heb ik malaria aan overgehouden.”

8

(slot) Verscheurde wereldsteden
In zijn boek The Ends of the Earth (1996) voorspelde de Amerikaanse reisessayist Robert Kaplan dat de wereld afstevent op steeds grotere armoede, op geweld, droogte en overstroming, op vuilnisbelten van wanhoop. Oorzaak: niet het uitblijven van vooruitgang, maar juist een te snelle ontwikkeling.
Wij zijn op reportage geweest in twee wereldsteden die beide in gevecht zijn met hun eigen implosie. Zijn de tijden aangebroken die Kaplan zag aankomen?
Zowel in Nairobi als Parijs doen splijtende krachten hun werk. Elites klitten overal in het centrum samen rondom dure winkelcentra. Ze staan in ronkende files van de laatste automodellen, ze rijden hun kinderen naar school, ze passeren reclameborden die een gave huid en een zorgeloze toekomst voorspiegelen. „Er is één route die elites overal ter wereld kennen”, zegt mensenrechtenactivist Malibu Mati in zijn huis in een steenrijke buitenwijk van Nairobi: „Dat is de weg naar het vliegveld.”
Tegelijk regeert uitzichtloosheid aan de randen van de steden. Op het zuidelijk halfrond is een ‘planeet van sloppenwijken’ ontstaan, zoals de Amerikaanse socioloog Mike Davis dat noemde. Het noorden herbergt reservaten van beton. De rancune, de vervreemding, de angst aan beide zijden van de planeet zijn er niet minder om.
Het oude Europa en het postkoloniale Afrika groeien naar elkaar toe. Vertrouwen in de toekomst moet het op beide continenten afleggen tegen verbrokkeling van de samenleving.
In de sloppen in Nairobi is armoede allang geen ontwikkelingsprobleem meer. Er is geen sprake van ontwikkeling, de crisis verdiept zich alleen maar. De rijken bemoeien zich niet meer met hun exploderende onderklasse. De rappers Willo en Sharray hebben een computer, maar hun isolement in armoede is hardnekkiger dan die van hun ouders ooit was.
In de voorsteden van Parijs zijn geweld, werkloosheid en gebrek aan kansen niet slechts een tijdelijk integratieprobleem. Al was het maar omdat er in de buitenwijken ook melkwitte drop-outs rondlopen, omdat migrantenkinderen niets hebben aan de Franse nationaliteit en schooldiploma’s om werk en een woning te vinden. Overigens ziet de hele middenklasse in Frankrijk de toekomst somber in.
Gebrek aan vertrouwen in de toekomst is wat welvaartsstaten en ontwikkelingslanden met elkaar delen. De overtuiging groeit dat vooruitgang niet meer voor iedereen kan gelden. De wereld is ingedeeld in winnaars en verliezers.
Europese landen geven woorden aan de scheidslijnen: arm tegen rijk, autochtoon tegenover allochtoon, zwart of wit, gelovig of niet. In Afrikaanse postkoloniale naties overschaduwt de scheiding tussen arm en rijk alle andere scheidslijnen. Tegelijkertijd proberen politici en opstandige milities die in de sloppenwijken zijn ontstaan tribale scheidslijnen in stand te houden. Deze tweedeling kreeg vat op kerken, bedrijven, actiegroepen, ontwikkelingsorganisaties.
In Sarcelles houdt Insa Sané de moed erin. Aan de rand van de stad zijn de mensen bozer, maar ook creatiever, zegt hij. „Het centrum van Parijs is doods, vastgeroest in regels en gewoontes. De marge is veel levendiger. Misschien ontstaat hier de cultuur van de toekomst.” Terwijl in het hart van Parijs krampachtig wordt gedebatteerd over wat authentiek Frans is, mengen de mensen aan de rand hun culturen door elkaar. Ze vernieuwen het Frans met omgekeerd straat-Frans en woorden uit het Arabisch en uit Afrikaanse talen.
Op de rommelmarkt in Sarcelles lopen bruin, zwart, wit gemoedelijk door elkaar. Maar gezelligheid bedriegt. „Er komt een dag waarop jongens opnieuw met de politie botsen omdat ze zich buitengesloten voelen. Daarbij hoeft maar een keer een dode te vallen en alle frustraties kunnen weer tot uitbarsting komen.”
In Mathare is Sammy Gitau, de activist, bepaald niet optimistisch. „Het is angstvallig stil in Mathare, een slecht voorteken. Ik zie liever het dagelijkse geweld in de sloppen, dat is tenminste normaal.” Politici zullen bij volgende verkiezingen opnieuw in Mathare terugkeren en stemmen kopen langs etnische lijnen. En wat zullen de mensen doen die elke shilling nodig hebben om te eten? „Er wonen hier te veel kiezers om ons met rust te laten.”
De ogenschijnlijke tekenen van vooruitgang bedriegen. Hij wijst op een paar stenen flats tussen de krotten in het dal van Mathare: „Over een paar jaar ziet het er hier overal zo uit. Te duur voor ons, de rijken zullen ons verdrijven. Wij verhuizen naar een nieuwe buurt, waar we opnieuw apart zullen wonen.”
De scheiding blijft in stand: „We leven nu net als in de Europese Middeleeuwen, met de koningen en keizers in hun kastelen en het voetvolk buiten de hoge muren.”

Kader

Sloppenwijken
Het aantal bewoners van sloppenwijken neemt volgens de VN wereldwijd toe met 25 miljoen mensen per jaar.
De urbanisatie in Afrika is de hoogste ter wereld, met iedere twintig jaar een verdubbeling van de stadsbevolking. Afrika’s sloppenwijken groeien twee keer zo snel als de toch al exploderende steden op dit continent.
85 procent van Kenia’s bevolkingsgroei doet zich voor in de sloppenwijken van Nairobi en Mombasa.
In 2015 zal Afrika 332 miljoen sloppenwijk- bewoners tellen. Afrika’s bevolking ligt nu rond de één miljard.
In de ontwikkelde wereld leeft 6 procent van de stadsbevolking in sloppenwijken. In de minst ontwikkelde landen is dat 78 procent van de stadsbevolking.
Mumbai in India heeft met 10 tot 12 miljoen de meeste sloppenbewoners ter wereld. In Afrika hebben steden in Ethiopië de meeste slopbewoners. Los Angelos in de Verenigde Staten heeft in de rijke wereld, met 100.000 mensen, het hoogste aantal daklozen.

Schrijf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *