Opnieuw worden de Maasai verdreven uit het Hof van Eden dat ze hielpen creëren

Het heet een wereldwonder. Rond de met weelderig groen bemantelde bergketens van de Riftvallei en de zeeën van vlaktes in het Serengeti-wildpark, en op de bodem van de immense Ngorongoro-krater, deelden de nomadische Maasai in Noord-Tanzania het Hof van Eden met zebra’s, leeuwen en gnoes. Maar witte natuurbeschermers, Arabische jagers en een groeiende bevolking ondermijnden de symbiose. Er ontstond een crisis die in juni 2022 ontplofte toen rellen uitbraken waarbij gewonden en één dode vielen, mensen zijn verdreven en tientallen Maasai-onderkomens in vlammen opgingen.

Uit twee gebieden moeten de Maasai weg: in het wildpark Loliondi moeten ze plaatsmaken voor jagers, in Ngorongoro voor toeristen. „De regering verkoopt ons aan de Arabieren”, klaagt Paul ole Sarbabi(een pseudoniem) in Arusha, in Noord-Tanzania. Hij is Maasai en is net terug uit Loliondo, dat grenst aan het Serengeti-wilpark. Deze ochtend ontwaakte hij met een olifant bij zijn kraal, zijn woning met omheind erf. „Wilde dieren voelen zich veilig bij ons, maar de Arabieren komen ze afschieten”, sneert hij. „De regering is begonnen onze graasgebieden af te bakenen voor de Arabieren, die hun jachtgronden willen uitbreiden. Wij verzetten ons ertegen en de overheid treedt wreed tegen ons op. Alle Maasai zijn nu bang; als we een regeringsauto zien, rennen we weg. Ons gebied verkeert in een staat van beleg.”

De natuur in de Ngorongoro loopt volgens de Tanzaniaanse president Samia Suluhu Hassan gevaar als de krater nu niet wordt ontvolkt. „We kwamen destijds overeen dat Ngorongoro een bijzonder gebied is waar mensen en dieren naast elkaar bestaan. Maar nu blijkt dat het aantal mensen dat van dieren overtreft”, zegt ze. In 1959 woonden er achtduizend Maasai, nu zo’n honderdduizend. De regering wil dat terugbrengen tot rond de twintigduizend. Dat betekent dat er alleen Maasai-kralen overblijven voor cultureel toerisme.

Ngorongoro, Loliondo, Serengeti in Noord-Tanzania en het aangrenzende Maasai Mara in Kenia vormen in de wereld een uniek ecosysteem. Maar de vraag doemt steeds weer op of daar wel mensen bij horen. In en rond de Ngorongoro wil de regering dat het overgrote deel van de Maasai – officieel op vrijwillige basis – het gebied verlaat en zich verder zuidwaarts vestigt in door de overheid opgezette hervestigingsdorpen.

Wilde dieren en mensen passen niet bij elkaar, luidt de stelling van vele dierenbeschermers, meestal afkomstig uit Europa. Een van de grondleggers van de beschermde gebieden in de Ngorongoro en het Serengeti-wildpark was de Duitse professor Bernard Grzimek. Hij schreef zeventig jaar geleden: „Wil een nationaal park zijn wezenlijke karakter bewaren, dan moet het een oorspronkelijke wildernis blijven. Niemand, zelfs niet de inboorlingen, mogen er in leven.” Trouw aan die gedachte gooide de koloniale overheid de Maasai eind jaren vijftig pardoes de 14.763 vierkante kilometer grote Serengeti uit. Ze zouden een bedreiging voor de dieren vormen en mochten alleen nog in en rond de Ngorongoro-krater leven, een reservaat van 8.300 vierkante kilometer. Inmiddels zijn wetenschappers over de hele wereld tot het inzicht gekomen dat het betrekken van de lokale bevolking juist essentieel is voor natuurbehoud.

Grimmige sfeer

„Wat er gebeurt is de zoveelste gronddiefstal van de Maasai, de oorlog tegen de Maasai duurt al sinds de koloniale tijd”, zegt de Tanzaniaanse oppositieleider Tindu Lissu vanuit zijn ballingsoord in België. Het krijgshaftige volk maakte tot eind negentiende eeuw de dienst uit in Oost-Afrika. In de competitie tussen mens en beest hadden wilde dieren toen echter nog de overhand. Sindsdien raakten de Maasai in Tanzania 60 procent van hun grondgebied kwijt aan wildparken. Toch domineren ze met hun rode en blauwe omslagdoeken ook nu nog op de steppes van Noord-Tanzania en Zuid-Kenia. Maar steeds minder jongeren kuieren niet meer achter het vee aan maar rijden op brommertjes. Hun savannes liggen nu bezaaid met scholen, kerken en moskeeën. Vooral in het Keniaanse gedeelte van Maasailand verschijnen fabrieken, oude gewoontes als vrouwenbesnijdenis verdwijnen, landbouw doet zijn intrede, en talrijke Maasai maken inmiddels tot de trots van hun gemeenschap deel uit van een uitgesproken elite van advocaten en politici. Het stereotype beeld van het nomadenvolk gaat niet meer op.

De hoger gelegen gebieden rond Ngorongoro en Loliondo hebben weinig last van de droogte die elders in Oost-Afrika al jaren voor massale veesterfte zorgt. Het is er nog heerlijk groen. Ieder jaar rond deze tijd komen ruim een miljoen gnoes en zebra’s uit de Serengeti er grazen en kalven voordat ze aan hun jaarlijkse migratie naar het noorden beginnen.

Er is in Tanzania een grimmige sfeer ontstaan rond het debat over de natuurgebieden. Alleen op achterafplaatsen in Arusha willen Maasai informatie geven, en een vreemdeling meenemen naar hun kralen durven ze niet. „De regering voert een koloniaal natuurbeschermingsbeleid”, foetert de Maasai-activist en advocaat Joseph ole Shangay uit Ngorongoro. „Ze zegt het paradijs te willen beschermen, maar het gaat hen niet om de natuur, het gaat om geld. Tanzania heeft zo veel wilde dieren juist omdat er ook nomaden zijn. We bedreigen het wild niet, wij zijn natuurlijke natuurbeschermers.”

In de koloniale tijd werd Loliondo gereserveerd voor Europese aristocraten als jachtgebied. Boeken in de jaren vijftig waarin de jagende schrijvers Ernest Hemingway en Robert Ruark de bewoners als wilden en stropers afschilderden en ze bruinjoekels noemden, werden beroemd in de witte wereld. President Roosevelt ging er begin vorige eeuw op jachtsafari en Winston Churchill schoot er op los vanaf de locomotief van de trein van Mombasa naar Nairobi.

Kenia verbood de jacht op groot wild in 1978, maar de Tanzaniaanse regering meent dat jagen het beste gebruik is van het land en de dieren in het wild. Een jachtvergunning loopt al gauw in de tienduizenden dollars; een jager brengt vele malen meer op dan een van de één miljoen toeristen die het land jaarlijks bezoeken en met hun terreinwagens hun sporen achterlaten in de parken, waar grote hotels voor hen zijn gebouwd.

Landingsbaan

Ole Sarabi uit Loliondo verzet zich al sinds 1993 tegen de komst van de Otterlo Business Corporation, een toeristenbedrijf in de Verenigde Arabische Emiraten, waaraan de regering het wildreservaat Pololeti van 1.500 vierkante kilometer voor exclusief gebruik heeft toegewezen. Leden van de koninklijke familie en honderden andere rijke Arabische gasten komen er jaarlijks jagen. „De Arabieren willen er geen koeien en Maasai zien. Ze bouwden een luxe lodge in de bergen en een landingsbaan, waar een Airbus landen kan. Als de koning er jaagt, neemt hij zijn eigen leger en politie mee. In 2007 begonnen ze voor het eerst onze kralen te verbranden om ons te dwingen het gebied te verlaten ten behoeve van de jagers.”

Loliondo werd in juni het brandpunt van de crisis. De Maasai verzetten zich opnieuw tegen uitzettingen en afbakeningen, ordetroepen gebruikten traangas en er vielen schoten. „Toen we weigerden te vertrekken begon de politie op ons te schieten”, luidt de versie van Ole Sarbabi. Een politieagent werd gedood, er vielen gewonden en een paar honderd Maasai vluchtten over de grens naar Kenia. „Dit incident heeft de hele gemeenschap getraumatiseerd; jongeren zijn nu bereid de wapens op te nemen.”

Geen stenen huizen

De Maasai stapten in 2017 voor het eerst naar de rechter in Arusha om de jacht in hun gebied een halt toe te roepen. De staat is in Tanzania eigenaar van alle grond, „maar de regering kan niet zomaar land van de Maasai weggeven aan de Arabieren. De overheid wil hun dorpsgrond afnemen, en dat is tegen de wet”, zegt Donald Diya, advocaat van de Pan-Afrikaanse Unie van Advocaten (Palu) die helpt bij de rechtszaken.

Diya vindt het huidige natuurbeleid achterhaald en noemt het „fortress conservation ”. „Het is een van de dunst bevolkte gebieden van Tanzania, waar de Maasai vreedzaam samenleven met de wilde dieren. Om het Hof van Eden te beschermen moet je samenwerken met de bevolking, maar de strategie is juist om het gebied te ontdoen van mensen.”

Sinds de eerste president na de onafhankelijkheid aan de macht kwam, de socialist Julius Nyerere, is Tanzania altijd op sterk nationalistische basis bestuurd, wars van tribalisme. Het land onderschrijft niet de speciale rechten zoals die door de VN zijn erkend voor zogeheten „inheemse volkeren”. Nyerere nam de politiek van Grzimek over van weleer: rond de Ngorongoro-krater moesten de Maasai „primitief” blijven, ze mochten geen stenen huizen met verdiepingen bouwen en landbouw bedrijven. „Je komt het reservaat niet in met een deur of toilet voor je huis”, vertelt een Maasai. „Maar ook wij zouden wel eens op een brommertje willen rijden.”

Een hoge ambtenaar in het gebied noemt het „een gevoelige zaak” en wil daarom niet met zijn naam in de krant. Hij verdedigt de verplaatsing van de Maasai die nu nog rond de krater leven. „Ze zijn beter af in de nieuwe dorpen die de overheid nu voor hen in Zuid-Tanzania sticht”, meent hij. De grond lijdt volgens hem onder de toegenomen druk van mensen en vee. „Mensen die het tegendeel beweren, weigeren om te veranderen.”

Er zijn volgens het herdersvolk geen aanwijzingen dat het gebied door de toegenomen bevolking wordt kaalgevreten door hun vee. Ook de wildstand loopt volgens de Maasai niet achteruit. De Maasai jagen niet. Ze enten hun levenswijze op de natuur en hebben er een intieme kennis van. Ze begrijpen de geluiden van vogels en dieren en een deel van het jaar grazen hun koeien naast de zebra’s. „Het is racisme”, zegt Ole Shangay. „Er is geen betere manier om de waanzin van deze koloniale vorm van natuurbehoud uit te leggen – dat wij ons thuisland moeten verlaten zodat anderen, of het nu witte toeristen, vorsten of rijke stedelingen zijn, onze weidegronden als hun speelterrein kunnen gebruiken.”

Dit artikel werd voor het eerst gepubliceerd in NRC op 12-12-2022

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *