Libië: Opstandelingen zijn even geestdriftig als ongeleid


 

De revolutie begon in Benghazi

„Allahu Akbar”, God is groot, klinkt het tussen de explosies bij Ras Lanuf. Achter iedere zandheuvel, op iedere straathoek, is God aanwezig, de islam voedt de gigantische geestdrift. De strijders rijden in de auto’s van hun vaders naar het front, ze gaan goed gekleed, jubelen kreten over vrijheid en democratie. Het zijn middenklassejongeren, verenigd in hun haat voor de Libische leider Gaddafi. Uit hun monden rollen gemakkelijk extremistische uitspraken over joden en zwarten. Maar ze komen niet met claims over een fundamentalistisch bewind. „We willen werk en vrijheid, net als jullie in Europa”, zeggen ze.

De opstandelingen schieten onstuimig in de lucht, een nodeloze verspilling van munitie. Een overgelopen kolonel uit Gaddafi’s leger, de enige professionele militair in de voorste linies, schudt afkeurend het hoofd. Een enkele keer mikken ze goed en raken ze een vliegtuig van Gaddafi. Horen ze over vijandelijke soldaten in de buurt dan springen ze in hun autootjes en scheuren erop af. De rebellenclub is vol enthousiasme, maar zonder coördinatie, zonder een communicatiesysteem, zonder discipline. De geasfalteerde kustweg is hun enige strijdtoneel, met hun stadsauto’s kunnen ze geen omtrekkende beweging maken door het mulle woestijnzand. Zonder structuur riskeren deze gedreven maar onervaren jongeren zware nederlagen tegen Gaddafi’s strijdkrachten.

De bevolking van de stad Benghazi hoopte op een volksopstand in de hoofdstad Tripoli maar ziet zich nu geconfronteerd met de noodzaak politieke en militaire leiding te creëren. Het gebrek aan sturing toont zich ook op politiek terrein. Politici en diplomaten uit Amerika en Europa bellen buitenlandse journalisten en mensenrechtenactivisten in Benghazi voor telefoonnummers van machthebbers. Maar machthebbers zijn er nog niet. De revolutie is nog autonoom.

Gaddafi’s voormalige minister van Justitie, Mustafa Mohamed Abdel Jalil, leidt een voorlopige regering in het door opstandelingen gecontroleerde Oost-Libië. Zijn benoeming riep direct verzet op bij jongeren die het initiatief namen bij de opstand, ze wijzen hem af wegens zijn functie onder Gaddafi. Ook bestaat er onenigheid over de noodzaak van buitenlandse interventie.

De woede tegen Gaddafi ontplofte half februari. De arrestatie in Benghazi van een mensenrechtenactivist betekende het startschot. Jeugdige moed en adrenaline overspoelden de straten van Benghazi, Ajdabiya, Tobruk en Al-Bayda. Jongeren klommen op heftrucks en vrachtwagens en ramden er mee in op de hoge muren van kazernes. Met zelfgemaakte benzine- en gasbommetjes bestormden ze politiebureaus en kantoren van de geheime dienst. „Gaddafi’s soldaten schoten met scherp op de betogers, ze schoten om te doden”, zegt een dokter die de gewonden onderzocht. „Maar het volk bleek sterker dan het leger van Gaddafi.”

Tientallen vrijwilligers bieden hun diensten aan, velen afgestudeerd in Europa of Libië, met opvallend veel jonge vrouwen. Ze spreken over democratie, mensenrechten, een nieuwe grondwet. Een nieuwe krant verschijnt en het station Radio Vrij Libië gaat in de lucht, media die liberale waarden propageren.

Het vrijdagmiddaggebed voor het gerechtsgebouw in Benghazi – het zenuwcentrum van de opstand waar de eerste demonstraties plaatshadden – brengt hordes inwoners naar de boulevard. Terwijl de imam met zich opmaakt voor een tirade tegen Gaddafi, discussiëren ouderen over de toekomst. „Ik ben communist”, zegt de een, „ik nationalist”, de ander. Niemand eist de revolutie op. Nasseristen, ba’athisten, monarchisten, iedereen verheft zijn stem. Ze praten over een ver verleden, een jeugdsentiment bijna, want hun politieke stromingen werden onder de 42 jaar durende politiestaat uitgeroeid. „Als het oorlog wordt, laat dan de militairen het tijdelijk overnemen”, suggereert een socialist, „het leger is de enige organisatie met structuur.”

Zakenlui gaven onmiddellijk een helpende hand aan de revolte. Ze willen onder het nepotisme en patronagesysteem van Gaddafi uit en meeverdienen aan de gigantische olie-inkomsten van het land. Libië heeft een gemiddeld jaarinkomen van 13.000 dollar per hoofd van de bevolking (Nederland meer dan 30.000). In Benghazi zijn geen sloppenwijken, er is voldoende werk voor de kleine Libische bevolking van hooguit zes miljoen mensen. De voedselprijzen stegen niet door de chaos en de benzineprijs daalde zelfs, dankzij de zakenwereld. „Voordat we het wisten zaten we in een revolutie”, zegt zakenman Musta Gerriah in het gerechtsgebouw. „Dit is een opstand van álle Libiërs, niet alleen van zakenlui, studenten of jongeren.”

Meer dan religieuze of politieke tegenstellingen kunnen op korte termijn tribale en regionale fricties de burgeroorlog compliceren. Gaddafi hield de stam- en clanstructuren wel goeddeels intact, met een voorkeursbehandeling van zijn stam Gadaffa. De tribale loyaliteit is gebaseerd op bloedvetes die soms jaren teruggaan, en op financieel gewin. De meeste Libiërs wonen echter in steden en het is de vraag in hoeverre zij zich laten leiden door tribale sentimenten.

De meerderheid van de bevolking is jonger dan dertig. „De jeugd is een onbeschreven blad”, zegt Musta Gerriah. „Het politieke toneel ligt geheel open. We hebben geen invloedrijke islamitische sektes of politieke partijen meer, de nieuwe orde moet van onderaf worden opgebouwd.” Hij waarschuwt: „We moeten onze jongeren leren democratie te omarmen, we zullen voorkomen dat extremisten deze revolutie kapen.”

Op de boulevard slenteren de inwoners langs de portrettengalerij van honderden verdwenen politieke gevangenen. Zoals de zonen van Bohabuta. Jarenlang leverde zij voedsel, dekens en kleren af bij de gevangenis Abu Selim in Tripoli voor haar drie zoons. Ze prevelde een gebed voor hen bij de poort, stuurde hen spirituele boodschappen door de dikke muren. De bewakers beloofden de spullen aan haar zonen te overhandigen. Maar ze vertelden niet dat haar kinderen al jaren dood waren.

Dit verhaal, opgetekend door Mohammed Abdulrahman van de Wereldomroep, toont de wreedheden onder Gaddafi. Zijn volkscomités hielden iedereen in de gaten, onbenullige beschuldigingen leidden tot jaren celstraf en marteling. Die angst maakte de Libiërs collectief gevangene van Gaddafi en in het oosten heeft zijn terreur hen nu verenigd.

Schrijf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *