Benin: De geesten laten dagelijks van zich horen

Vorige week veranderden twee vrouwen in Cotonou in vogels, de week ervoor ging een man over in een slang. Jean Gyimah zocht in het bos zijn overleden vrouw op, want ze bleef maar proberen hun dochter naar de andere wereld te halen. De voodoopriester stelde haar met iets te tevreden en nu gaat het weer goed met mijn dochter. Gyimah is een goed opgeleide intellectueel. Iedereen doet aan voodoo in Benin, zegt hij in de economische hoofdstad Cotonou.

Schijn bedriegt. In Benin is 40 procent van de bevolking moslim, 60 procent christen en 200 procent gelooft in voodoo. Een president legt bij zijn beëdiging een eed af in de naam van God en van de tempels van onze voorouders. Toen in 1996 de christelijk wedergeboren president Kérékou de verwijzing naar de geestenwereld weg liet, werd zijn beëdiging ongrondwettig verklaard. Poppen met pijlenlange penissen beschermen overal in het land zowel hutjes als villas tegen slechte machten, ze veroorzaken voorspoed en vruchtbaarheid.

Wie de geesteswereld niet erkent, begrijpt Afrika niet. Afrikanen leven in de zichtbare en de onzichtbare wereld, vertelt socioloog Emile Ologoudou in de Be-ninse kustplaats Ouidah. Er bestaat geen scheiding, voor ons gaat het om één wereld. Onze voorvaders leven met ons, door rituelen kunnen we met hen in contact treden. Voodoo was eens de staatsgodsdienst. Vanaf 1600 tot 1900 heersten er machtige koningen, met ministers, strijdmachten en vrouwelijke brigades. De geëxporteerde slaven namen hun godsdienst mee naar de Amerikas, waar in Haïti en Brazilië hun geesten voortleven. Vijftig miljoen mensen bedrijven voodoo.

De natuur is het universum. Bij alle voodoosektes domineren de kleuren van de lucht en het water, de plantenwereld en de beesten. Geesten van de voorvaders metamorfoseren in dieren, planten en bomen. Kijk, die boom daar, dat is een voorvader, wijst Emile Ologoudou naar de overkant van de straat. Magische medicinale krachten komen uit kruiden en dierendelen. Afrikanen leerden de natuur te beleven. Poeder van gedroogde apenpenis beschermt de journalist op verre reizen. De jagers weten wie de apen werkelijk zijn. Voodoo sterkt die stille krachten.

Priester Mahinou Komoulo prevelt goede woorden, priesteres Na Adè werpt zich ter aarde voor het kogelvormige altaar besmeurd met kleverige palmolie. In een volksbuurt van Ouidah bidden ze voor mijn bescherming in hun kleine tempel van de slang en de regenboog. Mijn offer bestaat uit frisdrank, jenever, peperkorrels, kolanoten en anijs. Twee assistenten rammelen met kalebassen en schelpen. De brug naar de geestenwereld is geslagen, het wijgeschenk is geaccepteerd. De gift van een gast wordt nooit geweigerd, vertelt Na Adè.

Kerkdeuren, directiekamers en presidentiële paleizen in Afrika blijven officieel gesloten voor de geesten. Maar de Beninse president die niet de eed wilde afnemen met een verwijzing naar de voorouders, liet zich bij zijn politieke beleid wél adviseren door twee magische marabouts. Priester Mahinou Koloulo kent de schijn. Zakenlui, politici, ze komen allemaal naar voodootempels, zegt hij. Ook de rijken willen de geheimen van het onbekende weten, de onzekerheden van het leven vermijden. Ze wensen succes en bescherming door de voodoo. Hun financiële giften geven ons aanzien en middelen om onze tempel te onderhouden. En predikanten, katholieke priesters en imams laten zich door ons bewaken tegen ongeluk.

De geesten laten dagelijks van zich horen, door geluk en ongeluk, door banvloeken en plagen, door voorspoed en regen. De geslaagde Afrikanen praktiseren slechts voodoo als ze problemen hebben, zegt socioloog Emile Ologoudou. Vaak sturen ze dan anderen naar de tempels, ze tonen hun geloof niet. Zij zijn hypocriet. Alleen de armen zijn eerlijk. Om zich te verzekeren van de officiële zegen gaan Beninezen naar de kerk of moskee, om met de geesten in het reine te komen bezoeken ze de voodoopriesters. Vrijdag ga ik naar de moskee, erkent Mahinou Koloulo, maar mijn voodoo is de hele week bij me.

Afrikanen ervaren de kracht van de geesten in ceremonies, rituelen, dromen, dansen. Priesteres Na Adè tremuleert, gevolgd door een oud vrouwtje die beweegt als een baby. Mannen slaan met holle handen op hun bovenlichaam, de borstkast als hun percussie-instrument. Priester Mahinou Koloulo splijt de kakofonie met de straffe slag op een ijzeren bel. De voodoo doet de deelnemers dansen. De swing komt uit de heupen. De extase, de bezetenheid, de slangensekte raakt in trance. Buiten is de hemel dichtgetrokken door een wolk van vleermuizen.

 

Voodoo tempel in Benin
Voodoo in Benin

 

 

 

 

Afrika per opera volgens prins Claus

Bintou-Wéré

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De kleren wassende vrouwen aan de oever van de Niger gaan huiswaarts, de koninklijke wereldpremière van de Sahel-Opera Bintou-Were kan beginnen.

Vanaf het speciaal gebouwde podium langs de rivier bij het Cultuurpaleis in de Malinese hoofdstad Bamako klinkt aan het begin van de opera een zagend snaarinstrument. De dag op de dorpsmarkt begint, vrouwen in door de Senegalese Ouman Sy ontworpen kostuums spreiden hun kleurige doeken uit.

Het idee voor deze opera kwam jaren geleden van de in 2002 overleden prins Claus, die zeer begaan was met Afrika. Hij wilde een Afrikaanse opera produceren met voorstellingen in Afrika en Europa om de verhouding tussen Afrika en het Westen aan de orde te stellen. Twee zonen van prins Claus, de prinsen Friso en Constantijn waren zaterdagavond als erevoorzitters van het Prins Claus Fonds aanwezig bij de première in Mali. In juni zijn er drie voorstellingen van de opera in Amsterdam, tijdens het Holland Festival.

De opera beschouwt de dag die de verjaardag is van de onafhankelijkheid, en de griot, de traditionele verhalenverteller, looft de roem van het verleden. Het koor luistert het feest op, hoogwaardigheidsbekleders beginnen te dansen. Een prachtige dag in Afrika.

Maar Afrika stelt zijn bewoners op de proef. „De aarde verdroogt en regeringen doen te weinig om werk te scheppen voor de jeugd”, vertelt de Tsjadische librettist Koulsy Lamko over het thema van de opera. „Migratie van Afrikanen naar Europa is het sterkste symbool van de relatie tussen het rijke Noorden en het arme Zuiden.”

Instrumenten van de Sahel – fluiten, kalebassen, harpen, percussie – kunnen verbazend klinken. Rammelende peulen klinken als duizenden sprinkhanen: de grote apenbroodboom in het dorp is kaalgevreten, de oogst vernietigd. Alweer een Afrikaanse ramp, de dorpelingen raken in paniek, de percussie schept de wanorde.

De hoofdfiguur Bintou-Were, ‘dwarsligger’ in de lokale taal, komt het podium opstormen en slaat op de heilige trommel. Bintu-Were is een voormalige kindsoldaat. Ze beschuldigt de machthebbers van het dorp van verkrachting en daagt hen uit in dans. De Malinezen in het publiek giechelen, want zelden zetten Afrikanen hun meerderen voor joker. Zangers beginnen te ruziën over de oorzaak van Afrika’s ellende en de basstem van de mensensmokkelaar Diallo nodigt de dorpelingen uit om te emigreren naar Europa.

Geweld en geld. De ex-kindsoldaat probeert de geldwolf Diallo te verleiden om haar gratis naar Europa te brengen. Ze onthult zwanger te zijn, maar ze weet niet van wie en vele dorpelingen melden zich als de minnaar.

„Wanneer je arm bent en je regering bekommert zich niet om je, moet je vertrekken”, zingt het koor onder applaus van Malinese toeschouwers. Talrijke Afrikaanse asielzoekers kwamen vorig jaar om toen zij de hoge hekken rond de Spaanse enclave Melilla in Marokko wilden beklimmen. Ze verkommerden in de woestijn. De televisiebeelden van deze door dorst gestorven slachtoffers inspireerden Koulsy Lamko tot het verhaal van de opera. Als Bintou-Were erin slaagt haar baby in Europa ter wereld te brengen, krijgen zij, haar kind en haar minnaar het recht op asiel, houdt mensensmokkelaar Diallo de dorpelingen voor. De jongeren uit het dorp, Diallo, Bintou-Were en haar vele geliefden beginnen aan wat librettist Koulsy Lamko noemt een moderne odyssee naar het paradijselijke Europa.

Eerst achter het podium over de rivier in wankele bootjes, dan naast het podium door het stof van zandhopen. Ze bouwen ladders in de woestijn. In het ballet van de ladders lijden ze honger, krijgen ruzie en voeren schijngevechten.

Choreografe Germaine Acogny van de Senegalese Dansschool van het Zand lacht: „Al dat gezang zit de dansers een beetje in de weg, maar verder is deze opera een geniaal idee om Afrika te laten zien. Doorgaans werk ik met poëzie of andere literatuur, maar nu staat de muziek centraal. Zie je daar de bolong, een Malinees instrument dat vrijwel niemand meer kent. Of de Guinese klarinet. We hebben bij het vooronderzoek zoveel instrumenten uit de Sahel leren herontdekken, deze opera verrijkt onze culturen van de Sahel.”

Ze strompelen, kreunen, kuchen en sterven op hun trek naar het beloofde land, terwijl Diallo blijft vragen om zijn geld. De rustieke Sahelwind wordt verdreven door het mechanische geraas van de autorally van Parijs naar Dakar. Er vallen doden en gewonden door de auto’s.

De laddermensen en hun muziek gaan in rouw, de podiumlichten worden blauw. Zwarte vogels en in felrood gestoken vrouwen zingen klaagliederen. De rituelen voor de doden vertonen vrouwen met veren van pauwen en weelderige kostuums met bevende wortels. Animistische, katholieke, islamitische en nomadische gewoontes passeren de revue, met maskers en dansende bomen. Een parade van de Sahel-tradities. De tachtig artiesten in de opera komen uit zeven landen in West-Afrika en zingen in vele talen, zoals het Wolof, het Bambara, het Malinke.

De kostuums komen van vele Sahel-volkeren, zoals de Peul, de Toeareg en de Bambara. De Sahelbewoners zijn arm, maar rijk in hun kunsten, met bijzondere architectuur, sieraden, muziek, film en literatuur.

Het einde komt in zicht, een blanke politieagent waakt over het hoge prikkeldraad rond Europa. Bintou-Were en haar minnaars lijken uitgeput, alleen uit de borstkas van de mensensmokkelaar Diallo buldert nog een volle zang met de oproep over te steken. Bintou-Were zingt: „We maakten schoenen uit heet zand.” Ze klimt op de ladder naar het paradijs maar krijgt haar weeën. Er heerst spanning, voor het eerst in de opera met een melodieuze zang. Ze werpt haar kind terug naar de Sahel: haar keuze voor waardigheid. in Afrika boven de vermeende luxe van Europa. Bintou-Were sterft in de wirwar van het prikkeldraad.

Het gemengde publiek lijkt in verwarring. Europeanen zijn nog niet vertrouwd met de verhalende stemmen van de Sahelmuziek, Sahelbewoners zijn onbekend met opera.

De Sahel Opera is helemaal Afrikaans gebleven, geen melodische aanpassing aan westerse wensen. Er is iets nieuws geboren. En welke kant gaat het uit met de relatie tussen Afrika en Europa?

„Eerst overwoog ik haar te laten bevallen van een tweeling, één voor Afrika, één voor Europa. Ik zag daar van af, want ons ideaal moet zijn om onze problemen hier op te lossen”, lacht librettist Koulsy Lamko. „Migratie moet mogen, maar ik vrees dat de erdoor veroorzaakte xenofobie in het Westen culturele uitwisseling moeilijker maakt.”

 

Sibe, het voormalige centrum van het Malinke rijk in Mali

De overtocht naar de volwassenheid

Als een zwarte slang kronkelt de sliert joelende jongeren over de groene savanne. De dragers van de zwarte mantels – de onbesnedenen – brengen water uit een bron die nooit opdroogt, nodig voor hun overtocht naar de volwassenheid. In een serie ceremonies worden duizenden jongeren van de Samburu-stam besneden in de bush. Er vindt een verschuiving van de generaties plaats. De initiatiefeesten zijn zeldzaam: de laatste waren in 1990 en daarvoor in 1976.

Het heeft goed geregend in het Noord-Keniaanse Samburu-district, een ideale tijd voor een groot nomadenfeest. De voorbereidingen zijn al weken in volle gang. De vrouwen hebben een met doorntakken omringde kraal gebouwd, groter dan een voetbalveld, met tientallen iglo-achtige onderkomens van stokken en koeienstront. De te initiëren jongens dragen om de schouders gebonden geitenvellen, zwart gemaakt met olie en houtskool. Wanneer ze de kraal naderen zetten ze een langzame melodie in die zich vastzet de hoofden.

De emoties zullen hoog oplopen, heeft een oude man de vorige dag voorspeld. Het is twee uur in de middag en bloedheet. Er is hier geen luxe: elektriciteit, mechanisch geluid, wegen en stenen gebouwen ontbreken. Wel zijn er prikkende struiken, gras met weerhaakjes, scherpe stenen en bergen in de verte. De jongens op blote voeten dagen met hun gezang de wijze oudsten uit om de rituelen te beginnen. Maar de ouderen vertragen, ze traineren door geen toestemming te geven om de koeien binnen te halen. Geen nomadenfeest zonder vee dichtbij. De jongens worden onrustiger, ze springen, proberen te ontsnappen naar de beesten. Familieleden in rode omslagdoeken houden hen in bedwang, stof waait op, een jongen rolt op de grond, stevig bij de arm genomen door een oudere broer.

Iemand toetert door een hoorn van een kudu. Het aardse geluid vormt het sein voor een doldwaze race naar de koeien buiten de kraal. De jongens in hun wapperende geitenvellen klampen zich vast aan rennende stieren, vallen en hijsen zich op. „Zie die jochies springen in hun blote kont”, spot de oude heer Lekilele, de dorpsgek.

Onbesnedenen zijn kinderen, hoe oud ook. Deze jongens variëren van elf tot tweeëntwintig jaar, voorzover ze hun precieze leeftijd kennen. Ze hebben geen aanzien, horen bij geen enkele leeftijdsgroep, ontberen alle rechten. Hun haar is geschoren in ronde puddingvorm, of in een pluk op de kruin. Voor de ceremonie scheren de moeders hen kaal, de laatste resten van de onnozele jeugd. De getrouwde vrouwen trekken zich terug in de huizen en de meisjes staan op grote afstand toe te kijken. Mannen verdringen zich rond de huizen en leggen een koeienhuid bij de opening.

De traditionele besnijdenaar in smoezelige lendendoek gaat van hut tot hut, gevolgd door drie assistenten met steriele mesjes, watten en ontsmettend water, een concessie aan de nieuwe tijd. Overal beven benen in het zicht van wat er komen gaat. De spanning is van iedereen, voor alle generaties. Bezorgd over het gedrag van de te besnijden jongeren raken ouderen in paniek, hun lichamen sidderen. Sommigen krijgen een beroerte, er valt er een met zijn gezicht plat op de grond, een ander rolt oncontroleerbaar door het stof en een spartelende krijger probeert zich als kikker te lanceren.

Het gezang wordt luider, dan bijna hysterisch. Namorma, naakt voor het ouderlijke huis, gaat op in de hypnose. Krijgers vatten zijn armen, hij lijkt ver weg van wat er met hem gebeurt. Namorma zingt een eigen lied. Een oude man gooit melk vermengd met het water uit de bron die nooit opdroogt op zijn hoofd, Namorma zakt ineen op een vochtig hoopje ramvel op de koeienhuid. Zijn spieren ontspannen, maar het bewustzijn verliest hij niet. En hij blijft neuriën.

Mannen tonen trots, geen vrees. In hun drang zich te bewijzen verleggen krijgers de pijngrens. Een teken van pijn op het gezicht van Namorma zou zijn familie lang kunnen kwellen. Vroeger kon hij worden gedood, of zijn vee hem ontnomen. Toont Namorma nu angst, dan zullen degenen die hem bezoeken slechts met hun kont naar voren het familiehuis betreden.

De besnijdenaar hurkt voor Namorma. „Blijf kalm”, fluistert hij. Lesome, van een oudere leeftijdsgroep, houdt de jongen vast rond het middel en drukt met de andere hand diens hoofd naar beneden, een krijger omklemt zijn rechterbeen. Het mesje snijdt snel aan de geschrokken penis. Geen kik. Tijdens de ingreep van nauwelijks een minuut blijft Namorma onverstoorbaar.

Samburu’s leven volgens oud Afrikaanse traditie in broederschap, als vijf vingers aan één hand. Ze hurken en dragen Namorma naar binnen. Hun harten kloppen in solidariteit, opgezwollen aderen als snelwegen op hun armen. Namorma is slap als een dweil. Ze leggen hem op een takkenbed aan de rechtkant van de ingang.

Lesome keert terug naar buiten en vloert een koe. Met een pijl prikt hij een nekader lek en vult een kalebas met bloed. Dit mengt hij met melk. Binnen laat hij het Namorma drinken. Buiten strooit een zingende vrouw de onverteerde inhoud van geitendarmen uit over de huizen. Lof voor een nieuwe generatie.

Die avond wordt er tot in de ochtenduren geslacht, gegeten en gedanst. De oudere generaties gescheiden van de jongere, de krijgers met hun geliefden. Ze springen om het hoogst, hun nekken vooruit als kamelen, en stoten geluiden uit het diepste van hun longen. Namorma slentert al weer rond. Hij mag nog niet met de ouderen meedansen.

De dragers van de zwarte mantels hebben hun rituelen nog niet volbracht. Eén maand lang mogen ze niet baden en zullen ze met botte pijlen vogeltjes vangen voor hun hoofdtooi. Stinkend kronkelt de zwarte slang verder.

Kader:

De groep, niet het individu vormt de kern bij herdersvolk de Samburu

Het herdersvolk Samburu is verbonden aan de Maasai, die in de negentiende eeuw in Oost-Afrika militair de dienst uitmaakten. De Maasai waren een paar honderd jaar geleden vanuit Egypte zuidwaarts getrokken. Er wonen in Kenia en Tanzania ruim één miljoen mensen die, net als de Samburu’s, de taal van de Maasai spreken. De ruim 200.000 Samburu’s leven in het schrale Noord-Kenia in een district van 14.400 vierkante kilometer. Geplaagd door toenemende droogtes en bevolkingsdruk van mens en vee dreigt voor de nomadische stammen van Noord-Kenia een steeds meer gemarginaliseerd bestaan. Hoewel ze met hun vee grote rijkdom bezitten, spelen ze nauwelijks een rol in de nationale economie. De Samburu’s hechten aan hun cultuur, die is gebaseerd om een stelsel van leeftijdsgroepen. Trapsgewijs, van de ene naar de andere leeftijdsgroep, worden Samburu’s ouder. De groep, niet het individu, vormt de kern. De initiatie van een nieuwe groep krijgers is de belangrijkste ceremonie van de overgang; alle generaties schuiven een stapje op. Jongeren tussen de tien en twintig jaar worden krijgers, krijgers worden ouderen. Ook de machtverhoudingen veranderen, want een nieuwe groep ouderen krijgt beslissingsrechten.

 

 

Kenia: Een bruiloft in de bush van de Samburu’s

Voor zonsondergang moeten onze stadskleren uit. We wikkelen een lendendoek rond het middel en slaan een roodgele deken over onze schouders. Met een zak pruimtabak, een verfblik vol koeienvet en een lege kalebas kruipen Kasao en ik de lage hut in. Dit is het onderkomen van zijn aanstaande schoonmoeder: we komen haar dochter Winnie ten huwelijk vragen. Ik ben zijn getuige. Kasao giechelt.

De schoonmoeder staart sip naar de presentjes. Hurkend op een koeienhuid in een rokerige stronthut was niet haar droombeeld van een bruiloft. Haar man wilde niet meekomen voor de ceremonies in de bush van de Samburu’s. De familie van Winnie behoort tot de Meru, een boerenstam op de weelderige hellingen van Mount Kenya. Kasao is van het nomadische herdersvolk de Samburu in de zandbak van het noorden. Twee stammen, twee werelden. Een huwelijk dat hen verbindt.

Buiten de kraal dansen amechtige meisjes in een poging jonge krijgers te paaien. Er wordt die nacht ruimschoots gezongen, gelachen en gecopuleerd. Bij het eerste streepje zonlicht worden we gewekt. Twee krijgers tuigen Kasao en mij op voor de bruiloft. Vlak onder onze knieën binden ze lange repen leeuwenhuid. Ze beschilderen ons voorhoofd, haren, nek en borst met rode oker en behangen ons met kettingen.

Op stukjes leer aan onze voeten lopen we een rondje rechtsom de kraal, geleid door joelende krijgers. Dan moet het schoeisel af en gaan we voorlopig blootsvoets. Kasao vloert met enkele krijgers een stier. Hij zet een dolk in het achterhoofd, het schokkende beest krijgt een bundeltje kruiden tussen de klapperende tanden geduwd en de krijgers snijden zijn blubberende nekvel open. Het huwelijk is gezegend. Het feest kan beginnen.

Kasao en ik moeten bij elkaar blijven. We verwijderen ons van de eerste feestgangers. Zwijgend lopen we een uur in onbestemde richting, in een omgeving van grillige bergpunten, glooiende heuvels en schrale vlaktes. Een savanne zonder wegen, zonder mechanisch gebrom, zonder elektriciteit.

Hier ontmoette ik twintig jaar geleden het jochie Kasao. Hij was de eerste moderne Samburu met wie ik kennis maakte, de eerste ook uit de wijde omgeving die naar school ging. Bij het geitenhoeden las hij stiekem schoolboeken. Kasao koos voor een modern bestaan van onderwijs en vooruitgang en werd het zwarte schaap.

De keuze tussen oerinstinct en kennis heeft Kasao soms verscheurd. Bijna iedere Afrikaan kent die tweestrijd. Kasao verliet jaren geleden de bush van de Samburu maar keerde terug om volgens de stamcultuur te trouwen. Hij voelt zich er niet gelukkig.

Hij gooit een steen in de verte en begint een klaagzang over de oude Samburu-heren die slechts na lang beraad hun zegen wilden geven aan het huwelijk met zo’n vrouw van buiten. „De oude heren zijn veel te koppig.” Met zijn schoonvader kan Kasao ook al niet opschieten. Hij verdriedubbelde de standaard-bruidsprijs van de Meru’s. „Overal zetten de oude heren zich tegen mij af. Ik wil tradities niet verloochenen maar ook de ogen niet sluiten voor de toekomst.”

Rond de kraal eten en dansen inmiddels ruim twee honderd uitgedoste Samburu’s, ieder in zijn of haar eigen leeftijdsgroep. Overal branden vuurtjes waar geitenvlees wordt geroosterd. Een kleurrijke feestdag in de bush.

Bij het vallen van de avond beginnen Kasao en ik voorbereidingen te treffen voor de huwelijksnacht. Nog één nacht slapen we in het onderkomen van Winnies moeder. „Het is verschrikkelijk”, klaagt Winnie. Over haar rok draagt ze geitenvellen. Om haar nek hangt een ketting van giraffenhaar.

Een groep oude heren kruipt de duistere ruimte binnen. Ze rochelen. Tijd voor wijze woorden. „Daar heeft u toch geen bezwaar tegen”, richt een van hen zich tot de schoonmoeder in bloemetjesjurk. Hij snuit zijn neus en veegt zijn handen aan de muur. De moeder van Winnie kucht, zwijgt en antwoordt met trillende stem: „Nee, maar ik ben wel van de kerk.”

Na lange preken leggen we ons te rusten op koeienvellen naast het matras dat Kasao meenam voor Winnie. Er hangt een zoet rottende geur. Iemand trekt onder onze koeienhuid de ruggengraat weg van de geslachte stier. Een vastgebonden schaap stapt tussen mijn voeten en blijft daar de hele nacht blaten. Bij het ontwaken ligt er een dode koeienkop naast onze hoofden.

Na zonsopgang krijgen we melk gesproeid over onze voeten. Onverwacht mogen we onze ceremoniële sandalen weer aan. „Dat is tegen de traditie”, excuseert een oude heer zich, „maar met de vele veedieven tegenwoordig moet je ieder moment hard kunnen weglopen”. Kasao, ik en Winnie lopen linksom rond de kraal en hurken vier keer, zonder om te zien.

Aan het einde van de middag bouwen Samburu-vrouwen een woning voor het nieuwe echtpaar. Uit de wijde omgeving is een vrouw gekozen die nooit huwelijksproblemen veroorzaakte. Zij bepaalt de ligging van de hut. „Mijn moeder kwam daarvoor niet in aanmerking”, lacht Kasao. De woning van huiden en stokken is na twee uur klaar.

Die avond wijden we de woning in met vuur, gemaakt door het wrijven met twee stokjes op olifantenpoep, bijgelicht door een zaklantaarn. Ik bind bij Winnie repen schapenhuid rond het middel en over de schouders. Ze rilt. Een dikke rook vult de ruimte.

De volgende ochtend eindigt het huwelijksfestijn. Leeuwenleer, kettingen en andere attributen worden afgenomen, gevolgd door zegeningen met melk. Oude vrouwen spugen op onze handen. Ik trek mijn kleren aan. Winnie zucht van verlichting.

Kasao herneemt de controle over zijn leven. „Ik wilde trouwen met een vrouw die ik zelf had gekozen. Dat is gelukt”, zegt hij trots. „Ik deed het volgens de regels van de Samburu’s. De oude heren kunnen me nooit meer iets verwijten. Ze zullen altijd bemiddelen als mijn huwelijk in problemen komt.”

 

Tanzania: Kraterbodem heeft de grootste concentratie wilde dieren ter wereld

Op een regenachtige dag drieëneenhalf miljoen jaar geleden liepen drie wezens over een vlakte in wat nu Noord-Tanzania is. Een vulkaan had over het landschap een dunne laag as gelegd, die door de regen blubber was geworden. De voetafdrukken van de kaarsrechte, aapachtige wezens werden vastgelegd en vervolgens vereeuwigd door een nieuwe laag as. De sporen van deze voorlopers van de mensheid werden in 1976 ontdekt bij de Ngorongoro-krater, het achtste wereldwonder en een werelderfgoed.

De afdrukken van onze voorvaders benadrukken de archaïsche sfeer die rond de uitgebluste krater hangt. Een toeristenhotel op de met regenwoud bedekte randen van Ngorongoro biedt een duizelingwekkend vergezicht. Op de kraterbodem zeshonderd meter diep ligt een vlakte van 260 vierkante kilometers met daarop de grootste concentratie wilde dieren ter wereld. Er leven olifanten, neushoorns, leeuwen, ja eigenlijk alle wilde dieren van Afrika, behalve de giraffe, want die wil de steile wanden niet af. Op de verbleekte oevers van een zoutmeer struinen flamingo’s en in een ander poedelen proestende nijlpaarden.

Rond de kraterrand strekken zich zeeën van vlaktes uit waarboven de wolken uitzinnige constructies bouwen, in contrast met de aarde, die nog ongevormd is als in het begin der tijden. Een eindeloze lijn gnoes, de clowns van de Afrikaanse savanne, beschermt de horizon bij het aangrenzende Serengeti, het grootste wildpark ter wereld en eveneens een werelderfgoed.

Ngorongoro en omgeving zijn een uniek wildpark. Want het rijk is niet alleen aan de beesten in het 8.300 vierkante kilometer grote reservaat. Op een winderige heuvelrug luiert een groepje Maasais, gerold in rode dekens tegen de ochtendkou. ,,Het is hier prachtig”, zingt een van hen, ,,niet te warm, niet te koud, en er groeit altijd gras.” De enige sporen die naar hun onderkomens leiden, zijn van missionarissen, verder laat de moderne buitenwereld de Maasais ongemoeid. Met dat opgelegde isolement hebben de Maasais geen moeite, ze eerbiedigen het gebod om geen landbouw te bedrijven in Ngorongoro en om in eenvoudige huizen van koeienstront en blubber te leven, zonder elektriciteit. Het herdersvolk past in de natuurlijke omgeving.

,,Samen met de wilde dieren en ons vee werden we bij de Ngorongoro geboren”, zegt de oude Maasai-man Matayo ole Partoro, ,,er bestaan geen verschillen tussen ons, we komen allen voort uit deze bush.” Hij kust de natte neus van een jong geitje dat komt aangehuppeld. Een oma onder een groepje vrouwen, dat eerbiedig afstand houdt van de mannen, begint te lachen: ,,En tegenwoordig brengen wilde dieren geld op, net als vee. Want de toeristen, die wezens met een roze huid als kikkerbillen, reizen van ver om onze wilde dieren te bezoeken. Zij hebben dat soort beesten niet meer en dat maakt ons trots.” De mannen knikken instemmend.

Wilde dieren en mensen passen niet bij elkaar, luidt de stelling van vele prominente dierenbeschermers in Afrika, dierenbeschermers meestal afkomstig uit Europa. Een van de grondleggers van de beschermde gebieden van Ngorongoro en Serengeti was de Duitse professor Bernard Grzimek. Hij schreef een halve eeuw geleden: ,,Wil een nationaal park zijn wezenlijke karakter bewaren, dan moet het een oorspronkelijke wildernis blijven. Niemand, zelfs niet de inboorlingen, mogen er in leven.”

Een kwart eeuw geleden nog hoorde natuurbescherming bij het volgebouwde Europa, niet bij Afrika. In korte tijd is dat veranderd. De snel toenemende bevolking zette de flora en fauna onder druk. Waar vroeger verkeersborden waarschuwden voor overstekende olifanten, plukken nu alleen nog wat lijzige zebra’s gras uit de berm. Leeuwen, olifanten, neushoorns en zelfs de zebra’s gaan verdwijnen als de trend van de teruglopende wildstand doorgaat.

Trouw aan de gedachte van Grzimek gooide de koloniale overheid de Maasais eind jaren vijftig pardoes de Serengeti uit. Ze zouden een bedreiging voor de dieren in het wild vormen en mochten alleen nog in de Ngorongoro leven. De Maasais reageren boos op dergelijke aantijgingen. Want stropen doen ze niet, voor hen bestaat er geen verschil tussen mensen- en dierenrechten. Een jonge Maasai-krijger steekt zijn hoofd uit de opgerolde deken en zegt verontwaardigd: ,,Waarom zou ik een olifant zijn tand afnemen, die is toch niet van mij?” En een vrouw pakt die draad op: ,,Wij vrouwen kappen alleen de dode takken van bomen, al moeten we er uren voor lopen, maar een levende boom zullen wij niet vellen, want die heeft zijn rechten. Bomen zijn mooi, ze maken onze omgeving schitterend.”

Ook in de Ngorongoro liep de wildstand achteruit, hoewel niet zo dramatisch als in andere Tanzaniaanse natuurgebieden. Gelardeerd met kreetjes van bewondering praten de Maasai-mannen over neushorens. ,,Vroeger waren ze even talrijk als ons vee.” Waar zijn ze dan gebleven?. ,,Vraag dat aan de heren van de regering, die hebben zich immers over ons wild ontfermd, ik weet werkelijk niet wat ze er mee doen”, roept een boze oude man.

Maasais hebben een intieme kennis van en een gevoel voor de natuur. Niet uit de boeken, maar uit ervaring. Ze begrijpen de boodschap van een vogel die hen waarschuwt voor leeuwen of buffels. Ze werken samen met een vogel die hun de weg wijst naar honing hoog in de bomen. ,,En we kennen de sporen van alle dieren”, begint een Maasai-man een lang verhaal. ,,Een leeuw loopt als een mens, een luipaard tippelt als een kat. Zouden die roze vreemdelingen weten wat te doen als een leeuw hun pad kruist? Zouden ze weten dat je stil moeten blijven staan, zonder angst in de ogen?”

Een potje snuiftabak gaat de kring rond en de boze tongen komen los. In 1975 legde de overheid de Maasais opnieuw aan banden: ze mogen niet meer zonder speciale toestemming met hun vee de kraterbodem betreden. ,,Al die regels van Ngorongoro belemmeren onze cultuur. We gingen er bidden bij een bos van bijzondere bomen”, foetert Ole Saitoti. Hij ontsteekt in woede. ,,Moet u zich voorstellen, tegenwoordig moeten we toestemming vragen om in contact te treden met God. Bij het moeras besneden we onze jongeren, ook daar mogen we niet meer komen zonder vergunning.”

Een wolk slaat tegen een bergwand en het begint te kletteren. Het leven is niet meer zo goed als vroeger. Toen was er zoveel meer wild en zoveel minder mensen. ,,Er bestaan veel meer ziektes dan voorheen, er sterven vele wilde dieren, net als ons vee. Wij lijden, samen met de dieren”, treurt een vrouw met tatoeages als tranen op haar wangen. Net als in geheel Afrika ontstond er ook rond de Ngorongoro een competitie om ruimte. De natuur dreigde te bezwijken.

In 1959 leefden er achtduizend Maasais met ieder twaalf stuks vee in het Ngorongoro reservaat. Dat zijn er nu 56.000 met ieder nog slechts twee koeien. Door de overbevolking konden ziektes van buffels en neushoorns overslaan naar het vee van de Maasais. In vroegere tijden van onbeperkte ruimte waren de nomaden weggetrokken voor epidemieën. De ziektes hebben echter een functie: anders waren hun kuddes uitgebreid, de grasvlaktes kaalgevreten, de bossen gekapt. Dat was het einde geweest van het wereldwonder de Ngorongoro. De natuur had ingegrepen om zichzelf te redden.

Nigeria: Overleven in het gekkenhuis van Lagos


Nergens in Afrika bestaat een land waar zoveel geweld woedt zonder oorlog. Nigeria is een krankzinnige natie, ziek door een overdosis aan materialisme.

De economische hoofdstad Lagos ligt langs dampende kreken en lagunes. In dit onaantrekkelijke klimaat leeft een menselijke hoop, nee, een onmenselijke hoop, op een vuilnisbelt waar iedereen voor de kruimels vecht. Over de verdeling kan niet onderhandeld worden, alleen gestreden. Het gevolg? Agressiviteit, criminaliteit en het einde van de moraliteit.

De politie ontdekte begin vorig jaar onder een viaduct een slagerij van twee kannibalen. Dagenlang stroomden toeristen toe om de geroosterde armen en benen te bekijken. In het labyrint van wegen en viaducten die zich als spaghetti door de stad slingeren en de eilandjes met elkaar verbinden, begonnen in de altijd aanwezige files verkopers kalenders aan te bieden met foto’s van de kannibalenkoopwaar. Om op te hangen naast het kruidenrekje in de keuken. Het duurde tot de komst van een burgerregering enkele maanden later voordat de kalenders verboden werden.

Nergens zwaaien in de openlucht zoveel zwarte penissen, nergens schijten en pissen mensen zo openlijk en ongegeneerd als in Lagos. Een gore stadsjungle. Onder de bruggen leven mensen tussen het ophopende afval en de stront. Nergens is er ruimte, overal is het druk, nooit ben je alleen, nergens is er plaats voor een zingende vogel of een eekhoorn. De dierenwereld van Lagos bestaat uit aasdieren, ratten, wormen, vliegen en muskieten.

Lagos is een gekkenhuis waarvan niemand meer weet waarom hij er gekomen is. Misschien dat sommige bewoners nog een zweem van menselijk geluk ervaren als ze zich in één van de duizenden evangelische kerkjes verzuipen in het opzwepende, dwaze gezang. Misschien.

Mijn chauffeur Rasaki loodst mij sinds jaar en dag wanneer ik Lagos aandoe door deze woestenij. Ik vraag hem of hij wel eens droomt van rust, van het platteland, van een sjirpende vogel. ,,Oh ja”, antwoordt hij, ,,ik zou wel eens een weekeindje naar Ibadan willen, lekker in een hotel en uitrusten.” Ibadan, een miljoenenstad op een uurtje rijden, is even vies en triest als Lagos. Uitrusten in een Nigeriaans hotel? Hotels in Nigeria zijn smerige gelegenheden waar je met wantrouwen wordt ontvangen en voor twee dagen vooruit moet betalen. In de kamer waar de vochtige hitte in de dampige tapijten is getrokken, is op al het meubilair, op de spiegel en de televisie een nummer gekrast. Want Nigerianen stelen alles, vertellen de hotelbediendes.

In het grote Ikoyi hotel van Lagos had ik na een verblijf van vijf dagen voor mijn laatste dag geen voorschot betaald. ’s Avonds bleek mijn kamer met een zware ketting afgesloten, de sleutel onvindbaar bij de manager die vertrokken was. Mijn woede vond geen begrip bij de hotelstaf, dan had ik mijn voorschot maar moeten betalen. ,,Weten jullie dat nergens in de wereld van tevoren voor een maaltijd of een verblijf in een hotel betalen hoeft te worden”, wierp ik tegen. Grote verbazing.

In het museum van Lagos komt een glorieus verleden van Nigeria tot leven. Betoverd mooie kunst van oude rijken, zoals Benin in het westen en het noordelijke sultanaat van Sokoto. Het gehucht Lagos heette vóór de komst van de Portugezen nog Eko. Vergeelde foto’s van begin vorige eeuw tonen een rustiek stadje aan de kust, met houten huisjes en fietsende inwoners, en water waarin je nog kon zwemmen kon. Lagos telde in 1950 290.000 inwoners, in 1963 één miljoen.

Na de koloniale tijd kwam de oliewelvaart. In de jaren zeventig bracht olie veertig dollar per vat op. ,,Ons probleem is niet geld, het probleem is hoe het uit te geven”, zei een minister triomfantelijk. Ambtenaren kregen twee keer per jaar een loonsverhoging. Het platteland liep leeg. Iedereen trok richting stad om een aandeel te vergaren in de bonanza.

Lagos raakte overvol, maar er was geld en werk. Alle rijkdom werd geconsumeerd. Nigeria kende rijkdom zonder ontwikkeling, materiële vooruitgang zonder inspanning. Het land hield op met voedsel produceren. Het bouwde marmeren hallen, glimmende kerken en deftige villa’s. De Afrikaanse decadentie.

Als een zeepbel spatte het paradijs uiteen. Eind jaren zeventig kelderde de olieprijs, eerst tot twintig dollar per vat en toen lager en lager. Het kon niet terugvallen op de landbouw, want de meeste Nigerianen vertikken het om in de grond te wroeten. De driebaanswegen zitten nog altijd verstopt met files maar nu ogen de Mercedessen en Peugots als oud schroot. Langs en door de files loopt een leger van werkloze jongens en meisjes met consumptiegoederen. Alles bieden ze aan. Toiletbrillen, brood, ijswater in plastic zakjes, kranten, verdroogde ratten en gedroogde vis. Ze tikken op de raampjes, maken bokkensprongen om de aandacht te trekken en springen behendig weg voor agressief optrekkende automobilisten. Die houden hun raampjes gesloten om de zweterige lucht en de criminaliteit buiten te houden. De weg heeft gaten, de berm is een riool.

Er is geen werk meer. Iedereen verdient een kruimel aan hetzelfde product. Een groothandelaar koopt vlees, verkoopt het aan een slager, die verkoopt het aan een kleinhandelaar, die het doorverkoopt aan een jochie die het langs de straten slijt. Onder aan de keten verdient de venter een gulden per dag, bovenaan bedraagt de winst tien gulden. Kan je daar niet van leven, dan zoek je soelaas in de misdaad.

Lagos is met Johannesburg wel de crimineelste stad van Afrika genoemd. Rasaki neemt een lange omweg als hij me ’s avonds naar de luchthaven brengt. Want de boeven kennen precies het schema van de buitenlandse vluchten en wachten de rijke reizigers langs de weg op. Een collega liep onlangs in een hinderlaag in een file op weg naar de luchthaven. Een kind kroop onder zijn auto en sneed de benzinepijp door. Even verderop stond een mecanicien te wachten. Die maakte nog iets kapot waarna de boeven verschenen. ,,Vijfhonderd dollar of je leven”. En ze menen het. In de file, omgeven door honderden mensen, vermoorden ze je.

Zelfs vliegtuigen op de landingsbaan van de internationale luchthaven worden overvallen. Overigens, de situatie op de luchthaven is beduidend verbeterd. Je wordt tegenwoordig niet meer vóór de douanecontrole door criminelen benaderd, dat gebeurt nu pas daarna.

De mensenmassa is te groot geworden om er nog orde in te kunnen aanbrengen. De politie is onderbetaald en corrupt. Dieven sluiten rond zonsondergang een straat af, gaan in de nacht van huis tot huis om in de ochtend in een vrachtwagen met de gestolen goederen te vertrekken. Gewapende overvallers, heten ze. In de steden en op de wegen ertussen, overal opereren ze, in samenwerking met politie of soldaten.

Lagos is tevens berucht voor zijn geperfectioneerde misdaad. Een Britse zakenman komt een contract tekenen ter waarde van miljoenen dollar op het ministerie van defensie. Hij wordt binnengeleid door een deur waarop het bordjes ‘generaal’ is geschroefd. De overeenkomst wordt getekend en de zakenman laat enkele tienduizenden dollars achter voor de generaal als beloning. De volgende dag wipt hij nog even bij de generaal langs om iets te regelen. Het bordje op het kantoor is verdwenen, niemand in het ministerie zegt de Brit te kennen. Hij wordt bedreigd met arrestatie als hij niet onmiddellijk het land verlaat.

Eigenlijk mag ik als buitenlander niet zulke dingen over Nigeria en Lagos schrijven, alleen de Nigerianen zelf mogen dat. Toen de Amerikaanse chef strijdkrachten Colin Powell het land enkele jaren gelden een ‘natie van dieven’ noemde, krenkte hij Nigeria’s nationale trots. Niet omdat wat hij zei onjuist was, maar omdat hij buitenlander was. Nigerianen zijn een dynamisch volk met voldoende zelfspot om de krankzinnigheid van hun leven zelf te bespreken.

Voor Lagos lijkt er weinig hoop. De machtige magneet verliest zijn kracht. Lagos is nu met dertien miljoen inwoners de op zes na grootste stad ter wereld. Over tien jaar tijd zal Lagos 21 miljoen zielen tellen. Het metropool dreigt uit zijn voegen te groeien, over de grens naar Benin.

Lagos is in Afrika niet uniek. Kinshasa, Accra, Luanda, ze worden steeds meer onleefbare centra’s. Voorbeelden van wat er gebeurt als te veel mensen in een te kleine ruimte leven zonder bron van inkomsten. Een vloedgolf lijkt de enige oplossing.