De overtocht naar de volwassenheid

Als een zwarte slang kronkelt de sliert joelende jongeren over de groene savanne. De dragers van de zwarte mantels – de onbesnedenen – brengen water uit een bron die nooit opdroogt, nodig voor hun overtocht naar de volwassenheid. In een serie ceremonies worden duizenden jongeren van de Samburu-stam besneden in de bush. Er vindt een verschuiving van de generaties plaats. De initiatiefeesten zijn zeldzaam: de laatste waren in 1990 en daarvoor in 1976.

Het heeft goed geregend in het Noord-Keniaanse Samburu-district, een ideale tijd voor een groot nomadenfeest. De voorbereidingen zijn al weken in volle gang. De vrouwen hebben een met doorntakken omringde kraal gebouwd, groter dan een voetbalveld, met tientallen iglo-achtige onderkomens van stokken en koeienstront. De te initiëren jongens dragen om de schouders gebonden geitenvellen, zwart gemaakt met olie en houtskool. Wanneer ze de kraal naderen zetten ze een langzame melodie in die zich vastzet de hoofden.

De emoties zullen hoog oplopen, heeft een oude man de vorige dag voorspeld. Het is twee uur in de middag en bloedheet. Er is hier geen luxe: elektriciteit, mechanisch geluid, wegen en stenen gebouwen ontbreken. Wel zijn er prikkende struiken, gras met weerhaakjes, scherpe stenen en bergen in de verte. De jongens op blote voeten dagen met hun gezang de wijze oudsten uit om de rituelen te beginnen. Maar de ouderen vertragen, ze traineren door geen toestemming te geven om de koeien binnen te halen. Geen nomadenfeest zonder vee dichtbij. De jongens worden onrustiger, ze springen, proberen te ontsnappen naar de beesten. Familieleden in rode omslagdoeken houden hen in bedwang, stof waait op, een jongen rolt op de grond, stevig bij de arm genomen door een oudere broer.

Iemand toetert door een hoorn van een kudu. Het aardse geluid vormt het sein voor een doldwaze race naar de koeien buiten de kraal. De jongens in hun wapperende geitenvellen klampen zich vast aan rennende stieren, vallen en hijsen zich op. „Zie die jochies springen in hun blote kont”, spot de oude heer Lekilele, de dorpsgek.

Onbesnedenen zijn kinderen, hoe oud ook. Deze jongens variëren van elf tot tweeëntwintig jaar, voorzover ze hun precieze leeftijd kennen. Ze hebben geen aanzien, horen bij geen enkele leeftijdsgroep, ontberen alle rechten. Hun haar is geschoren in ronde puddingvorm, of in een pluk op de kruin. Voor de ceremonie scheren de moeders hen kaal, de laatste resten van de onnozele jeugd. De getrouwde vrouwen trekken zich terug in de huizen en de meisjes staan op grote afstand toe te kijken. Mannen verdringen zich rond de huizen en leggen een koeienhuid bij de opening.

De traditionele besnijdenaar in smoezelige lendendoek gaat van hut tot hut, gevolgd door drie assistenten met steriele mesjes, watten en ontsmettend water, een concessie aan de nieuwe tijd. Overal beven benen in het zicht van wat er komen gaat. De spanning is van iedereen, voor alle generaties. Bezorgd over het gedrag van de te besnijden jongeren raken ouderen in paniek, hun lichamen sidderen. Sommigen krijgen een beroerte, er valt er een met zijn gezicht plat op de grond, een ander rolt oncontroleerbaar door het stof en een spartelende krijger probeert zich als kikker te lanceren.

Het gezang wordt luider, dan bijna hysterisch. Namorma, naakt voor het ouderlijke huis, gaat op in de hypnose. Krijgers vatten zijn armen, hij lijkt ver weg van wat er met hem gebeurt. Namorma zingt een eigen lied. Een oude man gooit melk vermengd met het water uit de bron die nooit opdroogt op zijn hoofd, Namorma zakt ineen op een vochtig hoopje ramvel op de koeienhuid. Zijn spieren ontspannen, maar het bewustzijn verliest hij niet. En hij blijft neuriën.

Mannen tonen trots, geen vrees. In hun drang zich te bewijzen verleggen krijgers de pijngrens. Een teken van pijn op het gezicht van Namorma zou zijn familie lang kunnen kwellen. Vroeger kon hij worden gedood, of zijn vee hem ontnomen. Toont Namorma nu angst, dan zullen degenen die hem bezoeken slechts met hun kont naar voren het familiehuis betreden.

De besnijdenaar hurkt voor Namorma. „Blijf kalm”, fluistert hij. Lesome, van een oudere leeftijdsgroep, houdt de jongen vast rond het middel en drukt met de andere hand diens hoofd naar beneden, een krijger omklemt zijn rechterbeen. Het mesje snijdt snel aan de geschrokken penis. Geen kik. Tijdens de ingreep van nauwelijks een minuut blijft Namorma onverstoorbaar.

Samburu’s leven volgens oud Afrikaanse traditie in broederschap, als vijf vingers aan één hand. Ze hurken en dragen Namorma naar binnen. Hun harten kloppen in solidariteit, opgezwollen aderen als snelwegen op hun armen. Namorma is slap als een dweil. Ze leggen hem op een takkenbed aan de rechtkant van de ingang.

Lesome keert terug naar buiten en vloert een koe. Met een pijl prikt hij een nekader lek en vult een kalebas met bloed. Dit mengt hij met melk. Binnen laat hij het Namorma drinken. Buiten strooit een zingende vrouw de onverteerde inhoud van geitendarmen uit over de huizen. Lof voor een nieuwe generatie.

Die avond wordt er tot in de ochtenduren geslacht, gegeten en gedanst. De oudere generaties gescheiden van de jongere, de krijgers met hun geliefden. Ze springen om het hoogst, hun nekken vooruit als kamelen, en stoten geluiden uit het diepste van hun longen. Namorma slentert al weer rond. Hij mag nog niet met de ouderen meedansen.

De dragers van de zwarte mantels hebben hun rituelen nog niet volbracht. Eén maand lang mogen ze niet baden en zullen ze met botte pijlen vogeltjes vangen voor hun hoofdtooi. Stinkend kronkelt de zwarte slang verder.

Kader:

De groep, niet het individu vormt de kern bij herdersvolk de Samburu

Het herdersvolk Samburu is verbonden aan de Maasai, die in de negentiende eeuw in Oost-Afrika militair de dienst uitmaakten. De Maasai waren een paar honderd jaar geleden vanuit Egypte zuidwaarts getrokken. Er wonen in Kenia en Tanzania ruim één miljoen mensen die, net als de Samburu’s, de taal van de Maasai spreken. De ruim 200.000 Samburu’s leven in het schrale Noord-Kenia in een district van 14.400 vierkante kilometer. Geplaagd door toenemende droogtes en bevolkingsdruk van mens en vee dreigt voor de nomadische stammen van Noord-Kenia een steeds meer gemarginaliseerd bestaan. Hoewel ze met hun vee grote rijkdom bezitten, spelen ze nauwelijks een rol in de nationale economie. De Samburu’s hechten aan hun cultuur, die is gebaseerd om een stelsel van leeftijdsgroepen. Trapsgewijs, van de ene naar de andere leeftijdsgroep, worden Samburu’s ouder. De groep, niet het individu, vormt de kern. De initiatie van een nieuwe groep krijgers is de belangrijkste ceremonie van de overgang; alle generaties schuiven een stapje op. Jongeren tussen de tien en twintig jaar worden krijgers, krijgers worden ouderen. Ook de machtverhoudingen veranderen, want een nieuwe groep ouderen krijgt beslissingsrechten.

 

 

Kenia: Een bruiloft in de bush van de Samburu’s

Voor zonsondergang moeten onze stadskleren uit. We wikkelen een lendendoek rond het middel en slaan een roodgele deken over onze schouders. Met een zak pruimtabak, een verfblik vol koeienvet en een lege kalebas kruipen Kasao en ik de lage hut in. Dit is het onderkomen van zijn aanstaande schoonmoeder: we komen haar dochter Winnie ten huwelijk vragen. Ik ben zijn getuige. Kasao giechelt.

De schoonmoeder staart sip naar de presentjes. Hurkend op een koeienhuid in een rokerige stronthut was niet haar droombeeld van een bruiloft. Haar man wilde niet meekomen voor de ceremonies in de bush van de Samburu’s. De familie van Winnie behoort tot de Meru, een boerenstam op de weelderige hellingen van Mount Kenya. Kasao is van het nomadische herdersvolk de Samburu in de zandbak van het noorden. Twee stammen, twee werelden. Een huwelijk dat hen verbindt.

Buiten de kraal dansen amechtige meisjes in een poging jonge krijgers te paaien. Er wordt die nacht ruimschoots gezongen, gelachen en gecopuleerd. Bij het eerste streepje zonlicht worden we gewekt. Twee krijgers tuigen Kasao en mij op voor de bruiloft. Vlak onder onze knieën binden ze lange repen leeuwenhuid. Ze beschilderen ons voorhoofd, haren, nek en borst met rode oker en behangen ons met kettingen.

Op stukjes leer aan onze voeten lopen we een rondje rechtsom de kraal, geleid door joelende krijgers. Dan moet het schoeisel af en gaan we voorlopig blootsvoets. Kasao vloert met enkele krijgers een stier. Hij zet een dolk in het achterhoofd, het schokkende beest krijgt een bundeltje kruiden tussen de klapperende tanden geduwd en de krijgers snijden zijn blubberende nekvel open. Het huwelijk is gezegend. Het feest kan beginnen.

Kasao en ik moeten bij elkaar blijven. We verwijderen ons van de eerste feestgangers. Zwijgend lopen we een uur in onbestemde richting, in een omgeving van grillige bergpunten, glooiende heuvels en schrale vlaktes. Een savanne zonder wegen, zonder mechanisch gebrom, zonder elektriciteit.

Hier ontmoette ik twintig jaar geleden het jochie Kasao. Hij was de eerste moderne Samburu met wie ik kennis maakte, de eerste ook uit de wijde omgeving die naar school ging. Bij het geitenhoeden las hij stiekem schoolboeken. Kasao koos voor een modern bestaan van onderwijs en vooruitgang en werd het zwarte schaap.

De keuze tussen oerinstinct en kennis heeft Kasao soms verscheurd. Bijna iedere Afrikaan kent die tweestrijd. Kasao verliet jaren geleden de bush van de Samburu maar keerde terug om volgens de stamcultuur te trouwen. Hij voelt zich er niet gelukkig.

Hij gooit een steen in de verte en begint een klaagzang over de oude Samburu-heren die slechts na lang beraad hun zegen wilden geven aan het huwelijk met zo’n vrouw van buiten. „De oude heren zijn veel te koppig.” Met zijn schoonvader kan Kasao ook al niet opschieten. Hij verdriedubbelde de standaard-bruidsprijs van de Meru’s. „Overal zetten de oude heren zich tegen mij af. Ik wil tradities niet verloochenen maar ook de ogen niet sluiten voor de toekomst.”

Rond de kraal eten en dansen inmiddels ruim twee honderd uitgedoste Samburu’s, ieder in zijn of haar eigen leeftijdsgroep. Overal branden vuurtjes waar geitenvlees wordt geroosterd. Een kleurrijke feestdag in de bush.

Bij het vallen van de avond beginnen Kasao en ik voorbereidingen te treffen voor de huwelijksnacht. Nog één nacht slapen we in het onderkomen van Winnies moeder. „Het is verschrikkelijk”, klaagt Winnie. Over haar rok draagt ze geitenvellen. Om haar nek hangt een ketting van giraffenhaar.

Een groep oude heren kruipt de duistere ruimte binnen. Ze rochelen. Tijd voor wijze woorden. „Daar heeft u toch geen bezwaar tegen”, richt een van hen zich tot de schoonmoeder in bloemetjesjurk. Hij snuit zijn neus en veegt zijn handen aan de muur. De moeder van Winnie kucht, zwijgt en antwoordt met trillende stem: „Nee, maar ik ben wel van de kerk.”

Na lange preken leggen we ons te rusten op koeienvellen naast het matras dat Kasao meenam voor Winnie. Er hangt een zoet rottende geur. Iemand trekt onder onze koeienhuid de ruggengraat weg van de geslachte stier. Een vastgebonden schaap stapt tussen mijn voeten en blijft daar de hele nacht blaten. Bij het ontwaken ligt er een dode koeienkop naast onze hoofden.

Na zonsopgang krijgen we melk gesproeid over onze voeten. Onverwacht mogen we onze ceremoniële sandalen weer aan. „Dat is tegen de traditie”, excuseert een oude heer zich, „maar met de vele veedieven tegenwoordig moet je ieder moment hard kunnen weglopen”. Kasao, ik en Winnie lopen linksom rond de kraal en hurken vier keer, zonder om te zien.

Aan het einde van de middag bouwen Samburu-vrouwen een woning voor het nieuwe echtpaar. Uit de wijde omgeving is een vrouw gekozen die nooit huwelijksproblemen veroorzaakte. Zij bepaalt de ligging van de hut. „Mijn moeder kwam daarvoor niet in aanmerking”, lacht Kasao. De woning van huiden en stokken is na twee uur klaar.

Die avond wijden we de woning in met vuur, gemaakt door het wrijven met twee stokjes op olifantenpoep, bijgelicht door een zaklantaarn. Ik bind bij Winnie repen schapenhuid rond het middel en over de schouders. Ze rilt. Een dikke rook vult de ruimte.

De volgende ochtend eindigt het huwelijksfestijn. Leeuwenleer, kettingen en andere attributen worden afgenomen, gevolgd door zegeningen met melk. Oude vrouwen spugen op onze handen. Ik trek mijn kleren aan. Winnie zucht van verlichting.

Kasao herneemt de controle over zijn leven. „Ik wilde trouwen met een vrouw die ik zelf had gekozen. Dat is gelukt”, zegt hij trots. „Ik deed het volgens de regels van de Samburu’s. De oude heren kunnen me nooit meer iets verwijten. Ze zullen altijd bemiddelen als mijn huwelijk in problemen komt.”

 

Tanzania: Kraterbodem heeft de grootste concentratie wilde dieren ter wereld

Op een regenachtige dag drieëneenhalf miljoen jaar geleden liepen drie wezens over een vlakte in wat nu Noord-Tanzania is. Een vulkaan had over het landschap een dunne laag as gelegd, die door de regen blubber was geworden. De voetafdrukken van de kaarsrechte, aapachtige wezens werden vastgelegd en vervolgens vereeuwigd door een nieuwe laag as. De sporen van deze voorlopers van de mensheid werden in 1976 ontdekt bij de Ngorongoro-krater, het achtste wereldwonder en een werelderfgoed.

De afdrukken van onze voorvaders benadrukken de archaïsche sfeer die rond de uitgebluste krater hangt. Een toeristenhotel op de met regenwoud bedekte randen van Ngorongoro biedt een duizelingwekkend vergezicht. Op de kraterbodem zeshonderd meter diep ligt een vlakte van 260 vierkante kilometers met daarop de grootste concentratie wilde dieren ter wereld. Er leven olifanten, neushoorns, leeuwen, ja eigenlijk alle wilde dieren van Afrika, behalve de giraffe, want die wil de steile wanden niet af. Op de verbleekte oevers van een zoutmeer struinen flamingo’s en in een ander poedelen proestende nijlpaarden.

Rond de kraterrand strekken zich zeeën van vlaktes uit waarboven de wolken uitzinnige constructies bouwen, in contrast met de aarde, die nog ongevormd is als in het begin der tijden. Een eindeloze lijn gnoes, de clowns van de Afrikaanse savanne, beschermt de horizon bij het aangrenzende Serengeti, het grootste wildpark ter wereld en eveneens een werelderfgoed.

Ngorongoro en omgeving zijn een uniek wildpark. Want het rijk is niet alleen aan de beesten in het 8.300 vierkante kilometer grote reservaat. Op een winderige heuvelrug luiert een groepje Maasais, gerold in rode dekens tegen de ochtendkou. ,,Het is hier prachtig”, zingt een van hen, ,,niet te warm, niet te koud, en er groeit altijd gras.” De enige sporen die naar hun onderkomens leiden, zijn van missionarissen, verder laat de moderne buitenwereld de Maasais ongemoeid. Met dat opgelegde isolement hebben de Maasais geen moeite, ze eerbiedigen het gebod om geen landbouw te bedrijven in Ngorongoro en om in eenvoudige huizen van koeienstront en blubber te leven, zonder elektriciteit. Het herdersvolk past in de natuurlijke omgeving.

,,Samen met de wilde dieren en ons vee werden we bij de Ngorongoro geboren”, zegt de oude Maasai-man Matayo ole Partoro, ,,er bestaan geen verschillen tussen ons, we komen allen voort uit deze bush.” Hij kust de natte neus van een jong geitje dat komt aangehuppeld. Een oma onder een groepje vrouwen, dat eerbiedig afstand houdt van de mannen, begint te lachen: ,,En tegenwoordig brengen wilde dieren geld op, net als vee. Want de toeristen, die wezens met een roze huid als kikkerbillen, reizen van ver om onze wilde dieren te bezoeken. Zij hebben dat soort beesten niet meer en dat maakt ons trots.” De mannen knikken instemmend.

Wilde dieren en mensen passen niet bij elkaar, luidt de stelling van vele prominente dierenbeschermers in Afrika, dierenbeschermers meestal afkomstig uit Europa. Een van de grondleggers van de beschermde gebieden van Ngorongoro en Serengeti was de Duitse professor Bernard Grzimek. Hij schreef een halve eeuw geleden: ,,Wil een nationaal park zijn wezenlijke karakter bewaren, dan moet het een oorspronkelijke wildernis blijven. Niemand, zelfs niet de inboorlingen, mogen er in leven.”

Een kwart eeuw geleden nog hoorde natuurbescherming bij het volgebouwde Europa, niet bij Afrika. In korte tijd is dat veranderd. De snel toenemende bevolking zette de flora en fauna onder druk. Waar vroeger verkeersborden waarschuwden voor overstekende olifanten, plukken nu alleen nog wat lijzige zebra’s gras uit de berm. Leeuwen, olifanten, neushoorns en zelfs de zebra’s gaan verdwijnen als de trend van de teruglopende wildstand doorgaat.

Trouw aan de gedachte van Grzimek gooide de koloniale overheid de Maasais eind jaren vijftig pardoes de Serengeti uit. Ze zouden een bedreiging voor de dieren in het wild vormen en mochten alleen nog in de Ngorongoro leven. De Maasais reageren boos op dergelijke aantijgingen. Want stropen doen ze niet, voor hen bestaat er geen verschil tussen mensen- en dierenrechten. Een jonge Maasai-krijger steekt zijn hoofd uit de opgerolde deken en zegt verontwaardigd: ,,Waarom zou ik een olifant zijn tand afnemen, die is toch niet van mij?” En een vrouw pakt die draad op: ,,Wij vrouwen kappen alleen de dode takken van bomen, al moeten we er uren voor lopen, maar een levende boom zullen wij niet vellen, want die heeft zijn rechten. Bomen zijn mooi, ze maken onze omgeving schitterend.”

Ook in de Ngorongoro liep de wildstand achteruit, hoewel niet zo dramatisch als in andere Tanzaniaanse natuurgebieden. Gelardeerd met kreetjes van bewondering praten de Maasai-mannen over neushorens. ,,Vroeger waren ze even talrijk als ons vee.” Waar zijn ze dan gebleven?. ,,Vraag dat aan de heren van de regering, die hebben zich immers over ons wild ontfermd, ik weet werkelijk niet wat ze er mee doen”, roept een boze oude man.

Maasais hebben een intieme kennis van en een gevoel voor de natuur. Niet uit de boeken, maar uit ervaring. Ze begrijpen de boodschap van een vogel die hen waarschuwt voor leeuwen of buffels. Ze werken samen met een vogel die hun de weg wijst naar honing hoog in de bomen. ,,En we kennen de sporen van alle dieren”, begint een Maasai-man een lang verhaal. ,,Een leeuw loopt als een mens, een luipaard tippelt als een kat. Zouden die roze vreemdelingen weten wat te doen als een leeuw hun pad kruist? Zouden ze weten dat je stil moeten blijven staan, zonder angst in de ogen?”

Een potje snuiftabak gaat de kring rond en de boze tongen komen los. In 1975 legde de overheid de Maasais opnieuw aan banden: ze mogen niet meer zonder speciale toestemming met hun vee de kraterbodem betreden. ,,Al die regels van Ngorongoro belemmeren onze cultuur. We gingen er bidden bij een bos van bijzondere bomen”, foetert Ole Saitoti. Hij ontsteekt in woede. ,,Moet u zich voorstellen, tegenwoordig moeten we toestemming vragen om in contact te treden met God. Bij het moeras besneden we onze jongeren, ook daar mogen we niet meer komen zonder vergunning.”

Een wolk slaat tegen een bergwand en het begint te kletteren. Het leven is niet meer zo goed als vroeger. Toen was er zoveel meer wild en zoveel minder mensen. ,,Er bestaan veel meer ziektes dan voorheen, er sterven vele wilde dieren, net als ons vee. Wij lijden, samen met de dieren”, treurt een vrouw met tatoeages als tranen op haar wangen. Net als in geheel Afrika ontstond er ook rond de Ngorongoro een competitie om ruimte. De natuur dreigde te bezwijken.

In 1959 leefden er achtduizend Maasais met ieder twaalf stuks vee in het Ngorongoro reservaat. Dat zijn er nu 56.000 met ieder nog slechts twee koeien. Door de overbevolking konden ziektes van buffels en neushoorns overslaan naar het vee van de Maasais. In vroegere tijden van onbeperkte ruimte waren de nomaden weggetrokken voor epidemieën. De ziektes hebben echter een functie: anders waren hun kuddes uitgebreid, de grasvlaktes kaalgevreten, de bossen gekapt. Dat was het einde geweest van het wereldwonder de Ngorongoro. De natuur had ingegrepen om zichzelf te redden.

Nigeria: Overleven in het gekkenhuis van Lagos


Nergens in Afrika bestaat een land waar zoveel geweld woedt zonder oorlog. Nigeria is een krankzinnige natie, ziek door een overdosis aan materialisme.

De economische hoofdstad Lagos ligt langs dampende kreken en lagunes. In dit onaantrekkelijke klimaat leeft een menselijke hoop, nee, een onmenselijke hoop, op een vuilnisbelt waar iedereen voor de kruimels vecht. Over de verdeling kan niet onderhandeld worden, alleen gestreden. Het gevolg? Agressiviteit, criminaliteit en het einde van de moraliteit.

De politie ontdekte begin vorig jaar onder een viaduct een slagerij van twee kannibalen. Dagenlang stroomden toeristen toe om de geroosterde armen en benen te bekijken. In het labyrint van wegen en viaducten die zich als spaghetti door de stad slingeren en de eilandjes met elkaar verbinden, begonnen in de altijd aanwezige files verkopers kalenders aan te bieden met foto’s van de kannibalenkoopwaar. Om op te hangen naast het kruidenrekje in de keuken. Het duurde tot de komst van een burgerregering enkele maanden later voordat de kalenders verboden werden.

Nergens zwaaien in de openlucht zoveel zwarte penissen, nergens schijten en pissen mensen zo openlijk en ongegeneerd als in Lagos. Een gore stadsjungle. Onder de bruggen leven mensen tussen het ophopende afval en de stront. Nergens is er ruimte, overal is het druk, nooit ben je alleen, nergens is er plaats voor een zingende vogel of een eekhoorn. De dierenwereld van Lagos bestaat uit aasdieren, ratten, wormen, vliegen en muskieten.

Lagos is een gekkenhuis waarvan niemand meer weet waarom hij er gekomen is. Misschien dat sommige bewoners nog een zweem van menselijk geluk ervaren als ze zich in één van de duizenden evangelische kerkjes verzuipen in het opzwepende, dwaze gezang. Misschien.

Mijn chauffeur Rasaki loodst mij sinds jaar en dag wanneer ik Lagos aandoe door deze woestenij. Ik vraag hem of hij wel eens droomt van rust, van het platteland, van een sjirpende vogel. ,,Oh ja”, antwoordt hij, ,,ik zou wel eens een weekeindje naar Ibadan willen, lekker in een hotel en uitrusten.” Ibadan, een miljoenenstad op een uurtje rijden, is even vies en triest als Lagos. Uitrusten in een Nigeriaans hotel? Hotels in Nigeria zijn smerige gelegenheden waar je met wantrouwen wordt ontvangen en voor twee dagen vooruit moet betalen. In de kamer waar de vochtige hitte in de dampige tapijten is getrokken, is op al het meubilair, op de spiegel en de televisie een nummer gekrast. Want Nigerianen stelen alles, vertellen de hotelbediendes.

In het grote Ikoyi hotel van Lagos had ik na een verblijf van vijf dagen voor mijn laatste dag geen voorschot betaald. ’s Avonds bleek mijn kamer met een zware ketting afgesloten, de sleutel onvindbaar bij de manager die vertrokken was. Mijn woede vond geen begrip bij de hotelstaf, dan had ik mijn voorschot maar moeten betalen. ,,Weten jullie dat nergens in de wereld van tevoren voor een maaltijd of een verblijf in een hotel betalen hoeft te worden”, wierp ik tegen. Grote verbazing.

In het museum van Lagos komt een glorieus verleden van Nigeria tot leven. Betoverd mooie kunst van oude rijken, zoals Benin in het westen en het noordelijke sultanaat van Sokoto. Het gehucht Lagos heette vóór de komst van de Portugezen nog Eko. Vergeelde foto’s van begin vorige eeuw tonen een rustiek stadje aan de kust, met houten huisjes en fietsende inwoners, en water waarin je nog kon zwemmen kon. Lagos telde in 1950 290.000 inwoners, in 1963 één miljoen.

Na de koloniale tijd kwam de oliewelvaart. In de jaren zeventig bracht olie veertig dollar per vat op. ,,Ons probleem is niet geld, het probleem is hoe het uit te geven”, zei een minister triomfantelijk. Ambtenaren kregen twee keer per jaar een loonsverhoging. Het platteland liep leeg. Iedereen trok richting stad om een aandeel te vergaren in de bonanza.

Lagos raakte overvol, maar er was geld en werk. Alle rijkdom werd geconsumeerd. Nigeria kende rijkdom zonder ontwikkeling, materiële vooruitgang zonder inspanning. Het land hield op met voedsel produceren. Het bouwde marmeren hallen, glimmende kerken en deftige villa’s. De Afrikaanse decadentie.

Als een zeepbel spatte het paradijs uiteen. Eind jaren zeventig kelderde de olieprijs, eerst tot twintig dollar per vat en toen lager en lager. Het kon niet terugvallen op de landbouw, want de meeste Nigerianen vertikken het om in de grond te wroeten. De driebaanswegen zitten nog altijd verstopt met files maar nu ogen de Mercedessen en Peugots als oud schroot. Langs en door de files loopt een leger van werkloze jongens en meisjes met consumptiegoederen. Alles bieden ze aan. Toiletbrillen, brood, ijswater in plastic zakjes, kranten, verdroogde ratten en gedroogde vis. Ze tikken op de raampjes, maken bokkensprongen om de aandacht te trekken en springen behendig weg voor agressief optrekkende automobilisten. Die houden hun raampjes gesloten om de zweterige lucht en de criminaliteit buiten te houden. De weg heeft gaten, de berm is een riool.

Er is geen werk meer. Iedereen verdient een kruimel aan hetzelfde product. Een groothandelaar koopt vlees, verkoopt het aan een slager, die verkoopt het aan een kleinhandelaar, die het doorverkoopt aan een jochie die het langs de straten slijt. Onder aan de keten verdient de venter een gulden per dag, bovenaan bedraagt de winst tien gulden. Kan je daar niet van leven, dan zoek je soelaas in de misdaad.

Lagos is met Johannesburg wel de crimineelste stad van Afrika genoemd. Rasaki neemt een lange omweg als hij me ’s avonds naar de luchthaven brengt. Want de boeven kennen precies het schema van de buitenlandse vluchten en wachten de rijke reizigers langs de weg op. Een collega liep onlangs in een hinderlaag in een file op weg naar de luchthaven. Een kind kroop onder zijn auto en sneed de benzinepijp door. Even verderop stond een mecanicien te wachten. Die maakte nog iets kapot waarna de boeven verschenen. ,,Vijfhonderd dollar of je leven”. En ze menen het. In de file, omgeven door honderden mensen, vermoorden ze je.

Zelfs vliegtuigen op de landingsbaan van de internationale luchthaven worden overvallen. Overigens, de situatie op de luchthaven is beduidend verbeterd. Je wordt tegenwoordig niet meer vóór de douanecontrole door criminelen benaderd, dat gebeurt nu pas daarna.

De mensenmassa is te groot geworden om er nog orde in te kunnen aanbrengen. De politie is onderbetaald en corrupt. Dieven sluiten rond zonsondergang een straat af, gaan in de nacht van huis tot huis om in de ochtend in een vrachtwagen met de gestolen goederen te vertrekken. Gewapende overvallers, heten ze. In de steden en op de wegen ertussen, overal opereren ze, in samenwerking met politie of soldaten.

Lagos is tevens berucht voor zijn geperfectioneerde misdaad. Een Britse zakenman komt een contract tekenen ter waarde van miljoenen dollar op het ministerie van defensie. Hij wordt binnengeleid door een deur waarop het bordjes ‘generaal’ is geschroefd. De overeenkomst wordt getekend en de zakenman laat enkele tienduizenden dollars achter voor de generaal als beloning. De volgende dag wipt hij nog even bij de generaal langs om iets te regelen. Het bordje op het kantoor is verdwenen, niemand in het ministerie zegt de Brit te kennen. Hij wordt bedreigd met arrestatie als hij niet onmiddellijk het land verlaat.

Eigenlijk mag ik als buitenlander niet zulke dingen over Nigeria en Lagos schrijven, alleen de Nigerianen zelf mogen dat. Toen de Amerikaanse chef strijdkrachten Colin Powell het land enkele jaren gelden een ‘natie van dieven’ noemde, krenkte hij Nigeria’s nationale trots. Niet omdat wat hij zei onjuist was, maar omdat hij buitenlander was. Nigerianen zijn een dynamisch volk met voldoende zelfspot om de krankzinnigheid van hun leven zelf te bespreken.

Voor Lagos lijkt er weinig hoop. De machtige magneet verliest zijn kracht. Lagos is nu met dertien miljoen inwoners de op zes na grootste stad ter wereld. Over tien jaar tijd zal Lagos 21 miljoen zielen tellen. Het metropool dreigt uit zijn voegen te groeien, over de grens naar Benin.

Lagos is in Afrika niet uniek. Kinshasa, Accra, Luanda, ze worden steeds meer onleefbare centra’s. Voorbeelden van wat er gebeurt als te veel mensen in een te kleine ruimte leven zonder bron van inkomsten. Een vloedgolf lijkt de enige oplossing.