Tsjaad: Rassenstrijd in de woestijn

Woedend woestijnzand waait over de Route National, de duizend kilometer lange weg van de hoofdstad N’Djamena in het westen naar Abèché in het oosten. Trotse Arabische nomaden trekken noordwaarts, door een luchtspiegeling vertroebeld. Tsjadiërs van Afrikaanse afkomst zijn ten zuiden van weg gestrand in kampen. Ze zijn slachtoffers van een rassenstrijd in de Sahel en de Sahara. Een strijd tussen Afrikanen en Arabieren die vier jaar geleden is ontstaan in de West-Soedanese regio Darfur. „De Arabieren willen centraal Afrika innemen en ons opsluiten in reservaten”, jammeren zwarte inwoners. De ziekte van Darfur heeft Tsjaad bereikt.

De jeu de boules bal belandt met een doffe plof in het zand bij de bibliotheek van Abèché. Kouder Tigani geeft de laatste oorlogsberichten door aan zijn medespelers. Hij gaat gekleed in trainingspak. Behalve mensenrechtenactivist is hij ook scheidsrechter.

„Hoorde je over de aanval gisteren bij Goz Beida op een konvooi van auto’s”, vraagt Kouder bij een nieuwe worp. „De haat is overgeslagen vanuit Soedan”, verzucht een andere speler. „Wij hadden hier nooit conflicten waarbij dorpen werden verbrand en vrouwen verkracht.”

Abèché fungeert als hoofdkwartier voor een van de moeilijkste internationale hulpoperaties ter wereld. Honderden hulpverleners van de Verenigde Naties werken in alarmfase vier, de laatste fase vóór evacuatie. Na zonsondergang mogen ze niet meer buiten.

In Abèché wemelt het van de wapens. De extreme hitte plakt aan de stoffige straatjes en stegen. De stad is van strategisch belang voor de krijgsheren die de Tsjadische president Idriss Deby willen verdrijven. In de afgelopen anderhalf jaar bezetten ze twee keer kortstondig de stad. Ze namen wapens mee uit de kazernes. Een hele reeks van gewapende groepen is in Oost-Tjaad verwikkeld in een ondoorzichtig steekspel: regeringsleger, rebellen, milities en bandieten.

Kouder zoekt schaduw onder de arcade van de bibliotheek. „Vroeger was het onderscheid tussen Arabieren en Afrikanen in Abèché vaag en onbelangrijk”, zegt hij. Die tijd is voorbij. Sinds de oorlog in Darfur in 2003 begon en Soedanese Arabieren jacht maakten op Soedanese Afrikanen, zijn ook de Afrikaanse dorpen in Tsjaad niet meer veilig. Het landschap is aan weerszijden van de grens hetzelfde. Aan beide kanten wonen dezelfde bevolkingsgroepen. Landgrenzen zijn voor de bewoners van geen belang.

Tsjadische Afrikanen keerden zich tegen Tsjadische Arabieren, met wie ze altijd in vrede hadden geleefd. Waarom verdedigden de Tsjadische Arabieren hen niet tegen de aanvallen van de Soedanese Arabieren? Waarom bleven ze buiten schot? Andere Arabische groepen uit de Centraal Afrikaanse Republiek schoten de Tsjadische Arabieren te hulp. „Alle Afrikaanse dorpen in de grensstrook van Tsjaad en Soedan zijn nu verlaten of verbrand”, zegt Kouder. Arabische groepen controleren de hele grens.”

Tsjaad is een hopeloos, straatarm, onbestuurbaar land. Geen Europees land wilde het aanvankelijk koloniseren. Alleen de ligging langs de pelgrimsroute van West-Afrika naar Mekka gaf het gebied strategische belang. Oost-Tsjaad is nog armoediger dan Darfur, dat in Soedan tot de meest gemarginaliseerde regio’s wordt gerekend. Op hun knieën en met primitieve schoffel bewerken boertjes in het oosten het land.

Op één dag rijden van Abèché, over paden en door rivierbeddingen, ligt in het zuiden Goz Beida, middelpunt van de oorlog in Oost-Tsjaad. Rondom het gehucht wemelt het van strohutjes en boomstronken, met mannen in groezelige gewaden, vrouwen met gebogen hoofden, kinderen met verschoten haren, schurftige honden en blatende ezels. In deze troosteloze omgeving ontrolt Ahmed Yaya een felgroene mat. Achter de stapel brandhout wast zijn echtgenote Mariam babykleertjes in de theepot.

„We hadden nog geen thee gedronken. Het was op een ochtend drie maanden geleden”, begint Yaya te vertellen. „Toen vielen ze mijn dorp Jorlo aan.” Ze kwamen op paarden en kamelen. Yaya zegt dat de aanvallers van de Janjaweed waren, de beruchte Arabische militie die samen met regeringstroepen in Darfur twee miljoen Soedanezen van Afrikaanse afkomst op de vlucht joeg en een kwart miljoen Afrikanen naar Tsjaad verdreef. „De Janjaweed-strijders gingen eerst naar een Arabisch dorp vlak bij het onze. Samen met de Arabische bewoners vielen ze ons aan. Ik herkende de gezichten van onze Arabische buren. Vroeger dronken we samen thee.”

Mariam neemt het verhaal over. „Ze riepen: ‘We willen jullie zwarten hier nooit meer zien. We zullen jullie echtgenotes doden en jullie dochters tot onze slaven maken’. In paniek renden we alle kanten uit. Mannen op paarden grepen ons bij de strot en scheurden ons de kleren van het lijf.”

Mariam schuift nerveus haar grijze lokken opzij, Yaya plukt tussen zijn tenen. „Ze staken onze spullen in brand en schreeuwden: ‘Dit is Arabische grond’.”

Mariam nam één kind op de schouder, een tweede aan de hand. Haar man droeg een zak graan. Meer dan zeventig dode dorpsbewoners lieten ze achter. Vijf dagen lang liepen ze door een landschap van ontvolkte dorpen. Tot ze Goz Beida bereikten, een dorp met vijfduizend inwoners en vijftigduizend ontheemden. Yaya stampt op de grond met alle woede die hij voelt over zijn verloren bestaan. We gaven de Arabieren na de oogsttijd altijd toestemming hun kuddes op onze akkers te laten grazen. Jarenlang vierden we samen islamitische feesten. Waarom steken ze ons nu een dolk in de rug? Als ik een Arabier tegenkom, schiet ik hem dood.”

De strijd in Oost-Tsjaad gaat niet om ras of geloof, net zomin als in Darfur. De inzet is grond, ruimte om te leven. De bevolking groeit. In de regio rond Darfur is de regenval de afgelopen veertig jaar met dertig procent gedaald. De zoektocht naar water wordt wanhopig.

‘Al hilla offin’, het dorp stinkt, zeggen nomaden in Darfur. De nomade botst met de boer sinds Kaïn en Abel. De tweestrijd tussen veehouder en landbouwer is een andere oorzaak van de crisis in de Sahara en Sahel.

Politici verergeren de situatie. De regimes van Soedan en Tsjaad moeten vechten om aan de macht te blijven. Ze wakkeren tegenstellingen tussen rassen en stammen aan.

De Tsjadische president Idriss Deby moet het opnemen tegen Tsjadische rebellengroepen die door Soedan worden gesteund. Deby steunt op zijn beurt de Soedanese opstandelingen in Darfur die in twaalf facties uiteen zijn gevallen. De Soedanese rebellen ronselen strijders in de vluchtelingenkampen in Oost-Tsjaad.

Het Tsjadische regeringsleger deed de afgelopen maanden niets om de 170.000 ontheemden in Oost-Tsjaad te beschermen. De president had al zijn soldaten nodig om zijn Tsjadische tegenstanders te bedwingen. Hij sloot een geheim verbond met Afrikaanse stamleiders en gaf ze wapens. Hij zette Afrikaanse milities in, zoals Soedan in Darfur Arabische milities inzette. Daardoor werd de situatie alleen maar explosiever en onoverzichtelijker. Sommige Afrikaanse stamhoofden sloten zich aan bij de Arabieren om samen op plundertocht te gaan. Weinig waarnemers weten nog de weg in de gewapende wanorde.

Ahmat Mahamat Zene is van Arabische afkomst. Hij is hoofd van een FM-radiostation in Goz Beida. „We kennen maar een deel van de waarheid”, zegt hij in zijn door waterplassen omgeven kantoortje. „Het conflict gaat niet alleen tussen Arabieren en Afrikanen. De stroom ontheemden kwam op gang nadat de regering in het wilde weg wapens begon uit te delen aan de bevolking.” Afrikaanse groepen als de Ouaddai en de Mimi helpen de Arabieren bij hun aanvallen op de Dadjo’s, de grootste Afrikaanse stam bij Goz Beida. „Ik vraag aan de Afrikanen waarom ze Dadjo’s vermoorden. Ze weten niet waarom. Ze krijgen bevelen van stamhoofden. Iemand wordt er beter van.”

In de late middag neemt ex-sultan Said Ibrahim Mustapha(zie foto) van het sultanaat Dar Sila plaats op een royale mat, bij zijn woning in Goz Beida. Duizenden door de regens verstoorde mieren omsingelen zijn wapenschild van lei, zwaard en speer. Het sultanaat Dar Sila dateert uit de zestiende eeuw, Said nam achttien jaar geleden de koningsmantel over van zijn vader. „Traditionele leiders dienen de menselijkheid en onze cultuur te verdedigen”, spreekt hij gedragen. „Wij behoren te verzoenen. We moeten geen haat zaaien en wapens uitdelen.”

Die kritiek leidde ertoe dat hij in januari onttroond werd door president Deby. „Een gewonde leeuw die iedereen aanvalt”, zo had de koning Deby genoemd.

In het sultanaat van de onttroonde Said wonen Afrikanen en Arabieren van oudsher samen, net zoals in het voormalige sultanaat Darfur. De grootste bevolkingsgroepen zijn de Afrikaanse Dadjo’s en Masalit. „Sultans wisten fricties tussen de Dadjo’s en de andere groepen altijd op te lossen”, zegt Said. „Nu draagt iedereen wapens. Wij hebben onze onderdanen niet meer onder controle.”

Said probeerde te bemiddelen bij de gevechten tussen de Dadjo’s en Arabieren. Hij zegt dat politici hem tegenwerkten. „Laten we deze broederstrijd stoppen, laat iedereen naar zijn geweten luisteren en in harmonie leven zoals vroeger.”

De onttroonde sultan trekt zijn benen in kleermakerszit. „Soedan is nu de boosdoener. Eeuwenlang was het een land van mestiezen, van gearabiseerde zwarten. Maar de heersers in Khartoum willen Soedan gebruiken als kweekvijver voor de Arabische cultuur. Ze willen Afrika koloniseren en arabiseren.”

Zijn woorden lijken te worden bevestigd door mededelingen van de VN in Khartoum. De VN melden dat tienduizenden Arabieren uit Tsjaad, de Centraal Afrikaanse Republiek en Niger deze maand zijn gearriveerd in Darfur. Met hulp van de Soedanese regering zouden ze zich vestigen in dorpen waaruit Arabische milities eerder Afrikanen verdreven. De rassenscheiding krijgt vorm.

Drie uur lopen van Goz Beida ligt Abchour. Het Afrikaanse dorp is honderd jaar oud. Heren met grijze baarden en tot stompjes geworden tanden vergaderen op een oranje mat onder een afdak van bananenbladeren. Abchour telt 800 inwoners, twintig koeien en enkele schapen. Vroeger woonden er duizend mensen, 300 koeien en duizend schapen. Dat was vóór de aanval. In de maand van ramadan vielen ze Abchour aan, vertelt dorpshoofd Baharadine Adim. Wie? „Het waren Arabieren uit Tsjaad.”

Hoe weet hij dat zo zeker? Arabieren en Afrikanen leven hier al zolang naast elkaar. Ze hebben dezelfde kleur. Ze delen één geloof. En het licht in de ogen van de oude Bakeria Moustapha raakte lang geleden uitgedoofd. „Arabieren zijn mensen die geen tribale taal meer spreken. Sommige Afrikaanse groepen hebben zich aangepast. Zij zijn gearabiseerd. Vroeger zagen we geen verschillen. Nu vallen ze ons op.”

De bewoners van Abchour slapen niet meer rustig. Ze dragen magische amuletten tegen de angst. Ze dragen pijl en boog en speren ter verdediging. „Het leven sijpelt uit me weg, maar ik ben nog niet te oud om te vechten”, kucht de kreupele Bellola Ahmat. Zijn verschrompelde vingers friemelen aan een mes rond zijn bovenarm. „Arabieren zijn vaak nomaden. Zij moeten altijd trekken.” Hij legt spot in zijn stem. „Ze vinden mijn dorp straks zo mooi dat ze nooit meer willen vertrekken.”

Tussen de kale rotsbergen voorbij de oase ligt El Jebel. Het dorpje van Arabische boeren bestaat al 38 jaar. Het bejaarde dorpshoofd Hakar Hassan spreidt een tapijt op het natte zand, wrijft over zijn ringbaardje en gebiedt zijn echtgenote vette melk te serveren. Net als in Abchour staan de inwoners van El Jebel doodsangsten uit. „De relatie met de Afrikanen is afstandelijk geworden”, zegt Hassan eufemistisch. „Het begon met de oorlog in Soedan. De haat werd geïmplanteerd in onze hersenen. Wij Tsjadiërs zouden onze problemen onderling moeten oplossen. Zoals sultan Said dat vroeger deed. Ik gaf mijn nomadische bestaan op en werd boer omdat de sultan me dit land gegeven heeft.”

Een Arabier te paard arriveert, met tulband, witte baard, plastic theepot en zwaard. Hij is diepzwart. „Ik groet u en uw bezoeker. Kunnen we hier langs trekken? Hoe is de situatie?”

„Het is beter met een grote bocht om dit gebied heen te trekken”, antwoordt Hassan. „Er lopen te veel ontheemden rond.”

De ruiter trekt het kleedje op zijn zadel recht en snelt naar de karavaan in de verte. Hij neemt de ziel van Hassan mee. Het dorpshoofd luistert niet meer. Zijn blik is gevangen door de langgerekte rij koeien en paarden, kamelen en geiten, schapen en ezels. Hoog op het kamelenzadel, tussen de manden en kussens en onder een baldakijn, dobberen jonge meisjes. „Ik zou weer willen reizen”, mompelt Hassan. „Nomaden zijn vrij.”

Kader:

Arabisch expansionisme

Arabieren in de Sahel noemen zich graag ‘blank’ om zich te onderscheiden van de Afrikanen. Verder hebben ze veel gemeen. Ze trouwen onderling, ze hebben dezelfde cultuur en ze delen het moslimgeloof. Zelfs het verschil in huidskleur is niet altijd duidelijk. Soms voldoet het uiterlijk van de Tsjadische Arabieren aan het prototype: koffie-met-melk kleur, scherpe neus en sluik haar. Maar ook veel Arabieren zijn zo zwart als houtskool. Tsjaad telt (volgens de laagste schattingen) 750.000 Arabieren op een bevolking van ruim negen miljoen mensen.

Na de onafhankelijkheid in 1960 kwam de staatsmacht in handen van christelijke zuiderlingen. De oppositie werd geleid door noordelijke Arabieren en Toubous, twee groepen die berucht zijn vanwege hun vroegere rol in de slavenhandel. Een kwart eeuw lang woedde er een burgeroorlog tussen het noorden en het zuiden, die begon in 1965. Soedan en Libië hebben altijd een hoofdrol gespeeld in het onbestuurbare land. Met Libische steun werd in 1966 in Darfur de eerste noordelijke verzetsbeweging Frolinat opgericht.

De Libische leider Gaddafi propageerde de ideologie van Arabische superioriteit. Tsjaad was zijn eerste doelwit. In 1972 richtte hij het Islamitische Legioen op om vanuit de Sahara het islamitische en Arabische erfgoed te verspreiden naar Centraal Afrika. Met zijn oliedollars rekruteerde hij woestijnstrijders van Mauretanië in het westen tot aan Ethiopië in het oosten. Hij smeedde de verzetsgroepen in Tripoli aaneen onder de mistige naam Arab Gathering. De Soedanese Janjaweedleider Musa Hilal legde bij die gelegenheid voor het eerst contacten met Tsjadische Arabieren.

Gaddafi gebruikte de West-Soedanese regio Darfur als springplank naar Tsjaad. Rebellen en wapens kwamen Tsjaad binnen via Darfur. In 1981 verdreef Frolinat de zuidelijke, christelijke regeerders uit N’Djamena. Gaddafi riep een unie uit van Tsjaad en Libië. Zijn doel om een door Arabieren gedomineerd centraal Afrika te stichten kwam dichterbij.

Frolinat-leider Goukouni Oueddei werd echter verdreven door Hissène Habré, die fel anti-Libisch was. Zes jaar later kwam er abrupt een einde aan Gaddafi’s Arabisch expansionisme toen zijn Islamitische Legioen in de Tsjadische Sahara een zware nederlaag leed tegen de soldaten van president Hissène Habré. Maar Gaddafi’s mislukte avontuur laat nog steeds zijn sporen na in Tsjaad.

 

Sultan Said Ibrahim

 

Schrijf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *