Rwanda: een genocide die nooit voorbij is

Hij houdt er niet van om zijn verhaal te vertellen. Edouard Bomporiki wrijft in zijn ogen. Dat verschrikkelijke beeld. Hij was elf jaar, te jong om mee te doen aan de genocide die op 7 april 1994 in Rwanda begon en aan 700.000 Tutsi’s en 100.000 gematigde Hutu’s het leven kostte.

„Ik lag met malaria in het ziekenhuis en een oude Tutsi-man met een baby rende naar binnen. Hij kroop onder mijn bed. Extremisten van de Interahamwe-militie achtervolgden hem. Ze onthoofden hem en daarna hakten ze zijn schedel in tweeën. De baby sloegen ze met een knuppel vol spijkers dood. Ik begreep het niet. Mijn moeder zei: ‘Ach mijn zoon, je zult het nooit begrijpen’.”

Twintig jaar na de volkerenmoord is Rwanda nog altijd een getraumatiseerd land. Nabestaanden leven met een schaduw over hun ziel, een dagelijks gevoel van leegte. Maar ook velen van de één miljoen Hutu-daders, die hebben gemoord, verkracht en gestolen, worden dagelijks gekweld door de herinneringen, de beelden van toen ze met kapmessen routineus inhakten op kinderen en op ouderen.

Jongeren beneden de 20 jaar kregen de verhalen te horen van hun ouders en zijn evenzeer slachtoffer: ze leven met het stigma dat hun vader en moeder moordenaars waren. Of met haat omdat hun families werden uitgeroeid. Moordenaars en nabestaanden moeten op dezelfde heuvels en in dezelfde dorpen samenleven. „Rwandezen werken hard aan verzoening, maar we zijn nog steeds gewond. Iedereen zoekt erkenning. Daarom moet iedere Rwandees zijn verhaal vertellen. Dat is de enige uitweg”, zegt Edouard Bomporiki.

Edoaurd Bomporiki Foto Johannes Dietrich
Edoaurd Bomporiki Foto Johannes Dietrich

Politiek artiest

Edouard is een Hutu. Hij is dichter, filmmaker, acteur in een populaire soapserie en sinds vorig jaar parlementslid. „Een kunstenaar spreekt uit zijn hart, een politicus uit zijn hoofd. Ik zie mezelf als een politiek artiest.”

Zijn oom was een moordenaar. Hij maakte deel uit van de Interahamwe, de militie van extremistische Hutu’s. „Ik ben onschuldig maar schaam me om een Hutu te zijn. Ieder jaar rond 7 april voel je de spanningen oplopen. Ik durfde niet deel te nemen aan de jaarlijkse herdenking.”

In 2006 verzamelde hij al zijn moed en besloot hij een gedicht voor te lezen op een herdenkingsbijeenkomst. „Een Tutsi sprak vóór mij en ik begon te huilen bij zijn herinnering. Mijn gedicht kon ik niet meer voordragen.” Zwijgend stond Edouard voor de microfoon. Tot hij uitbracht: „Ik ben een Hutu en ik schaam me voor wat Hutu’s de Tutsi’s hebben aangedaan. Namens de Hutu’s vraag ik om vergiffenis.” Als een donderslag bij heldere hemel. Nog nooit eerder had een Hutu zo publiekelijk namens zijn gemeenschap verontschuldiging aangeboden. Een taboe werd doorbroken. Zo werd Edouard beroemd in Rwanda.

Op een regenachtige avond komen twee vrienden bij hem thuis om zijn film De Lange Jas te bekijken. Marcel, een overlevende, en Ireze, zoon van moordenaars. Na de film over een jonge Hutu-man, gespeeld door Edouard, en een jonge Tutsi-vrouw die ontdekken hoe de ouders van de één verantwoordelijk waren voor de dood van de broer van de ander, valt eerst een lange stilte.

Marcel, die negen familieleden verloor, zegt: „Soms wil ik constant huilen en alleen zijn. De eerste jaren vertrouwde ik geen enkele Hutu. Het gaat beter, nu kan ik ze verdragen, vooral als ze publiekelijk hun spijt betuigen.” Ireze, wiens ouders levenslang kregen: „Ik vraag me nog steeds af waarom ze het deden. Ze hadden kunnen weigeren. Mensen wijzen me nu met de vinger na: ‘Kijk, daar loopt de zoon van een massamoordenaar’. Ik trek me terug in mijn isolement. Toch houd ik nog steeds van mijn vader.”

Een buurtbewoner komt binnen. „Ik ben een Tutsi”, stelt hij zich voor. Hij toont zijn lange vingers en wijst op zijn spitsige neus, beide vermeende kenmerken van Tutsi’s. Maar zo gemakkelijk laten Hutu’s en Tutsi’s zich niet onderscheiden, ook Hutu’s hebben soms lange neuzen. „Mijn hele familie is dood”, zegt hij. Iedereen begint te schaterlachen. „We lachen om niet te huilen”, zegt Edouard. „Om de pijn te kunnen dragen.”

De buurtbewoner blijkt echter een Hutu en zijn ouders waren moordenaars. Rwanda het land van duizend heuvels, Rwanda het land van duizend leugens.

Kakkerlakken

10.000 doden per dag, 417 per uur, 7 per minuut. Bijna honderd dagen lang. De volkerenmoord in Rwanda was de ‘snelste’ genocide van de vorige eeuw. Altijd leefden de Hutu’s en Tutsi’s geïntegreerd samen, met eenzelfde taal en cultuur. De Belgische kolonialen voerden identiteitskaarten in met vermelding van de etnische achtergrond. De Hutu-heersers na de onafhankelijkheid in 1962 voerden een beleid van officiële discriminatie. Zo ontstonden de tegenstellingen.

Het land ontplofte in 1994. De Tutsi-rebellen van het Rwandese Patriottische Front (RPF) van de huidige president Paul Kagame waren in 1990 vanuit Oeganda het land binnengevallen. Extremistische Hutu’s rond president Juvenal Habyiramana gingen Tutsi’s kakkerlakken noemen. Het neerhalen op 6 april van Habyiramana’s vliegtuig, vermoedelijk door Hutu-extremisten, betekende het startsein: alle Tutsi’s moesten dood.

Razendsnel sloegen de moordpartijen over van de ene naar de andere heuvel. Soms in opdracht van de Interahamwe of het regeringsleger. Soms gingen Hutu’s op eigen initiatief hun Tutsi-buren te lijf. Gematigde Hutu’s die een akkoord met Kagames rebellen nastreefden, gingen ook voor de bijl. Tutsi’s die bescherming zochten in kerken werden met tienduizenden tegelijk gedood, hun kinderen werden tegen de kerkmuren kapotgeslagen. Sommige priesters deden mee. Vredesmilitairen van de Verenigde Naties trokken zich terug. Honderd dagen later maakte het RPF een einde aan de slachting. Meer dan anderhalf miljoen Hutu’s en de Interahamwe en regeringssoldaten weken uit naar buurland Congo.

„Rwanda is geen vrolijk land”, zegt een westerse diplomaat met gevoel voor understatement. „Alles draait om veiligheid. En om het scheppen van sociale zekerheid.” Ter preventie voor een nieuwe genocide. Uit de as herrees een nieuwe en autoritair bestuurde natie. Onder president Kagame groeide Rwanda uit tot een economisch succesverhaal.

Alles was stuk in 1994. Rechters en ambtenaren waren vermoord of gevlucht, overheidsarchieven vernietigd. En inwoners zonnen op wraak. ‘Gewone’ moordenaars kregen lichte straffen, want de gevangenissen puilden uit. Tutsi-overlevenden ontvingen geen speciale compensatie, want Kagame had de steun nodig van de Hutu-meerderheid (85 procent van de bevolking). Hij bouwde een regeringselite op uit zijn eigen RPF, gematigde Hutu’s en een nieuw, sterk leger van Hutu’s en Tutsi’s.

De economie groeide de afgelopen jaren met ruim 5 procent. Overal in het land verrijzen grote gebouwen. Eén miljoen mensen stegen uit boven de armoedegrens. Kindersterfte is met 70 procent teruggebracht. De levensverwachting ging van 36 naar 56 jaar. Scholieren krijgen onderwijs met computers en het land staat bekend als een van de minst corrupte op het continent.

„In Rwanda krijg je waar voor je geld. Het is een van de meest geslaagde voorbeelden van ontwikkelingssamenwerking”, oordeelt de Nederlandse ambassadrice Leoni Cuelenaere. Over het resultaat van Kagames politiek bestaat weinig controverse, wel over zijn autoritaire methodes die persvrijheid en afwijkende meningen beperken. Zijn ingrijpen in Congo om de laatste daders van 1994 uit te roeien, leidde tot tienduizenden doden. Dissidenten van het RPF in het buitenland zijn hun leven niet zeker.

Dorpstribunalen

Edouard is uitgenodigd voor een bijeenkomst van zijn kiesdistrict. Bovenaan de agenda staat het organiseren van de herdenking op 7 april. „We hebben nog zoveel te vertellen”, begint een zakenman, „en we willen van de moordenaars weten waar ze onze families hebben begraven.”

„Als we daar aan beginnen, wordt het een verhaal zonder einde”, zegt een ander. Er wordt een voorstel aangenomen om ruim 2.000 traumawerkers naar de herdenking in het district te sturen. Ieder jaar opnieuw verliezen aanwezigen hun zelfbeheersing. Aan het eind van de vergadering, onder het genot van een drankje, schiet een man Edouard aan: „Wist je dat jouw oom mijn broer en opa heeft vermoord?” Edouard verstijft. „Maak je geen zorgen”, zegt de man. „Ik heb geleerd te overleven.”

Vergiffenis, is het mogelijk? Na de berechting van verdachten door (12.000) dorpstribunalen is er misschien een beetje gerechtigheid. Maar daarmee zijn de 11 miljoen Rwandezen nog niet in het reine gekomen het verleden. „Twintig jaar later melden zich steeds meer getraumatiseerde mensen”, vertelt Theophile Sewimfura, werkzaam bij de organisatie Community based Sociotherapy. „Pas als je voelt dat je wordt gerespecteerd en vertrouwd, begin je je vrij te voelen. Dan krijg je weer zin in het leven.” Hij organiseert praatsessies met daders en slachtoffers. „Sommigen zeggen niet te begrijpen waarom ze zulke monsters werden. Het baart me soms zorgen dat in ieder mens een potentiële moordenaar schuilt.”

Theophile neemt me mee naar een bruiloft in een dorpje, waar twee Tutsi’s trouwen. Hun getuige is een Hutu uit een familie van moordenaars. De feestvierders bidden en lachen onder de bananenbomen, een kalebas met bier gaat rond. Op de achtergrond zijn de moerassen te zien waarin de opgejaagde Tutsi’s schuilden. In deze regio werden 45.303 lijken gevonden.

Twee oudere aanwezigen zijn Jean Baptiste en Theogene. Jean Baptiste verloor tien kinderen en zijn vrouw, Theogene joeg met de Interahamwe op Tutsi’s. „Ik wilde Theogene doden toen hij uit Congo terugkeerde”, vertelt Jean Baptiste. „Maar nu begrijp ik dat we elkaar moeten helpen genezen. Door de sociotherapie is mijn medelijden teruggekeerd.”

Na het lachen verbergt Jean Baptiste zijn hoofd in zijn handen. Hij loopt de bosjes in. Huilen is gewoon in Rwanda. Theogene volgt hem, legt zijn arm op zijn schouder en zegt: „Wees moedig, dit is onderdeel van onze lange weg samen.”

 

 

 

Schrijf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *